Keuzeregeling

De Keuzeregeling

Is de keuzeregeling in strijd met het EG- Verdrag?

Samenvatting

Met de invoering van de Wet Inkomstenbelasting 2001 is er in artikel 2.5 een bepaling opgenomen die voorziet in de mogelijkheid dat buitenlandsbelastingplichtigen onder voorwaarden kunnen opteren voor de toepassing van de regels zoals die gelden voor binnenlandsbelastingplichtigen (keuzeregeling). Deze regeling is ingevoerd omdat werd geconstateerd dat buitenlandsbelastingplichtigen nadeliger werden behandeld dan binnenlandsbelastingplichtigen. Artikel 39 van het EG-verdrag ziet op het vrije verkeer van werknemers binnen de Europese Unie en verbiedt zowel directe als indirecte discriminatie naar nationaliteit. Dus op grond van het EG-verdrag mag Nederland buitenlandsbelastingplichtigen die in vergelijkbare omstandigheden verkeren niet nadeliger behandelen dan binnenlandsbelastingplichtigen.

Voordat de keuzeregeling werd ingevoerd hanteerde Nederland ten behoeve van niet-ingezetenen tot en met 2000 de 90%- regeling. Deze regeling houdt in dat, indien het inkomen van buitenlandsbelastingplichtigen voor ten minste 90% worden verdiend in de werkstaat dat de werkstaat rekening moet houden met de persoonlijke en gezinssituatie (Schumacker- arrest).

Door de invoering van de Wet inkomstenbelasting 2001 is de 90%-regeling vervallen en vervangen door de in artikel 2.5 Wet IB 2001 (hierna aan te duiden als ‘artikel. 2.5') opgenomen keuzeregeling. Vergeleken met de 90%-regeling is de keuzeregeling deels ruimer en deels beperkter. De verruiming zit in het volledig ontbreken van een inkomensgrens en de toename van de aftrekposten die in aanmerking kunnen worden genomen, welke samenhangen met de persoonlijke en gezinssituatie. Door gebruik te maken van de keuzeregeling kunnen alle aftrekposten geëffectueerd worden die gelden voor binnenlands- belastingplichtigen (de in hoofdstuk 3 van de Wet IB 2001 opgenomen uitgaven voor inkomensvoorzieningen, de in hoofdstuk 6 opgenomen persoonsgebonden aftrek en de in hoofdstuk 8 geregelde heffingskortingen). Tegen deze verruiming staat als beperking dat de aftrekposten niet volledig in aanmerking worden genomen maar pro rata, en bovendien tegen het gemiddelde tarief en niet tegen het marginale tarief. Tot slot kent de keuzeregeling enkele sancties, waaronder de terugneembepaling en de inhaalregeling.

Het keuzerecht kan alleen worden uitgeoefend door buitenlandsbelastingplichtigen die inwoner zijn van een andere lidstaat van de EU, dan wel inwoner zijn van een mogendheid waarmee Nederland een belastingverdrag heeft gesloten dat een bepaling bevat inzake de uitwisseling van inlichtingen. De keuzeregeling is nader uitgewerkt in artikel 2 tot en met artikel 10 van het Uitvoeringsbesluit IB2001.

Hoofdstuk 1 De belastingplicht voor de inkomstenbelasting

Staten plegen hun nationale heffingsbevoegdheid veelal te baseren op ten minste één van de volgende heffingsbeginselen: woonstaat-, bronstaat- of nationaleitsbeginsel.

Nationaal gezien kent Nederland haar eigen nationaal belastingstelsel. Het Belastingstelsel herbergt regels omtrent de heffing van belasting, bijvoorbeeld voor werknemers die in Nederland werken en voor deze prestaties inkomsten genieten. In dit verband kent Nederland de Wet op de Inkomstenbelasting 2001 en de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen.

In dit hoofdstuk wordt uiteengezet welke begrippen in deze wetten van belang zijn voor de Nederlandse belastingheffing. Het begint bij de relatie tussen het begrip inwoner en belastingplicht. Want, wanneer is een persoon belastingplichtig en wanneer leidt dit tot het heffen van inkomstenbelasting?

Allereerst zal onderscheid worden gemaakt tussen een binnenlands en buitenlands belastingplichtige voor de Wet inkomstenbelasting, waarna de “woonplaatsfictie” zal worden behandeld in paragraaf 1.1. Het woonplaatsbegrip is van belang om te kunnen bepalen waar een persoon inwoner is voor de inkomstenbelasting. Ten tweede wordt het begrip “werknemer”en de “dienstbetrekking” behandeld. Ten derde zal in paragraaf 1.2 de grensarbeider worden behandeld. In paragraaf 1.3 wordt ten vierde de argumenten van de woonstaat versus werkstaat doorgenomen. Tot slot zal in paragraaf 1.4 het verdrag ter voorkoming van dubbele belasting worden behandeld.

1.1 Binnen- en buitenlandse belastingplichtigen

De Wet IB maakt onderscheid tussen binnenlands belastingplichtigen en buitenlands belastingplichtigen[1]. Binnenlandsbelastingplichtigen zijn natuurlijke personen die in Nederland wonen en met hun gehele wereldinkomen in de Nederlandse belastingheffing worden betrokken. Terwijl buitenlandsbelastingplichtigen[2] uitsluitend worden belast voor de in hoofdstuk 7 van de Wet IB genoemde inkomstenbestanddelen. Buitenlands- belastingplichtigen zijn natuurlijke personen die geen inwoner zijn van Nederlands, maar wel Nederlands inkomen genieten.

1.1.1 Het begrip ‘woonplaats'

Waar een natuurlijke persoon woont, dient ingevolge de in de nationale wet opgenomen woonplaatsbegrip[3] te worden bepaald. Dit is als volgt geformuleerd:

‘Waar iemand woont en waar een lichaam gevestigd is, wordt naar de omstandigheden beoordeeld'

De woorden ‘naar de omstandigheden' duiden er al op dat de feitelijke situatie van iemand dient te worden beoordeeld. Voor de beoordeling van de woonplaats kijkt men volgens de nationale wet waar het duurzame middelpunt van persoonlijke en economische levensbelangen van de belastingplichtige zijn gelegen. De elementen die hier van belang zijn en getoetst moeten worden zijn onder andere:

* de inschrijving in de Gemeentelijke Basisadministratie Persoonsgegevens (GBA)

* de nationaliteit van de belastingplichtige

* de plaats waar het werk wordt uitgeoefend

* de plaats waar de belastingplichtige verblijft

* de plaats waar het gezin van de belastingplichtige verblijft

* de wil en intentie van de belastingplichtige

1.1.2 Het begrip ‘werknemer'

Behalve het woonplaatsbegrip en het onderscheid tussen binnenlands- en buitenlandsbelastingplichtig is het begrip “werknemer” tevens ook van belang. De Wet onderscheid vier soorten dienstbetrekkingen: de privaatrechtelijke dienstbetrekking, de publiekrechtelijke dienstbetrekking, de fictieve dienstbetrekking en de oneigenlijke dienstbetrekking.

De werknemer is de natuurlijke persoon die in privaatrechtelijke- of publiekrechtelijke dienstbetrekking is[4]. Een werknemer kan voor Nederlandse belastingdoeleinden als een buitenlandsbelastingplichtige of als een binnenlandsbelastingplichtige werknemer worden aangemerkt. Voor in het buitenland wonende werknemers wordt de belastingplicht gekoppeld aan het vervullen van de dienstbetrekking in Nederland.

Voor het begrip privaatrechtelijke dienstbetrekking wordt aangesloten bij de omschrijving van het civiele begrip ‘arbeidsovereenkomst'[5]. Deze wordt omschreven als: ‘de overeenkomst waarbij de ene partij, de werknemer, zich verbindt in dienst van de andere partij, de werkgever, tegen loon gedurende zekere tijd arbeid te verrichten'.

De arbeidsovereenkomst heeft drie essentiële kenmerken:

* de werknemer moet verplicht zijn gedurende zekere tijd persoonlijke arbeid te verrichten;

* de werkgever moet verplicht zijn loon te betalen;

* er moet sprake zijn van een gezagsverhouding tussen de werknemer en de werkgever.

De publiekrechtelijke dienstbetrekking berust niet op een arbeidsovereenkomst, maar op een aanstelling of een benoeming door een overheidsorgaan[6].

De wet merkt sommige arbeidsverhoudingen die niet voldoen aan de vereisten van de dienstbetrekking, toch aan als dienstbetrekking. Het gaat hier om de fictieve[7]- en de oneigenlijke[8] dienstbetrekking. De fictieve dienstbetrekkingen zijn opgenomen in de wet om te voorkomen dat er geschillen over de arbeidsverhoudingen zouden ontstaan.

1.2 Woonstaat versus werkstaat

Is een natuurlijke persoon woonachtig in Nederland, dan is dat voor Nederland een voldoende aangrijpingspunt om het wereldinkomen in de heffing te betrekken. Voor Nederland is immers de hoofdregel dat een inwoner van Nederland belast is voor zijn wereldinkomen. Anders is het gesteld met degenen die niet in Nederland wonen. Voor hen geldt een beperkte belastingplicht, zij zijn louter belastingplichtig indien zij inkomen verwerven uit het Nederlandse territoir, en dan nog slechts voor een beperkt aantal in de Wet IB 2001 opgenomen inkomenscategorieën. Deze zogenoemde buitenlands belastingplichtigen zijn slechts belast indien en voor zover zij Nederlands inkomen genieten (artikel 2.1, lid 1 onderdeel b, en lid 2).

Een inwoner van Nederland wordt dus in de heffing betrokken voor zijn gehele wereldinkomen. Bij personen die inwoner zijn van Nederland en daarnaast werkzaamheden verrichten buiten Nederland, kan dubbele belastingheffing plaatsvinden. Zowel de woonstaat als de werkstaat kunnen belasting heffen over het inkomen. De woonstaat heft op grond van het woonlandbeginsel (woonstaatheffing), de werkstaat zou kunnen heffen omdat de werkzaamheden feitelijk aldaar worden verricht (werkstaatheffing). Dit heeft als gevolg dat de belastingplichtige wordt benadeeld, over hetzelfde inkomen wordt immers door 2 verschillende landen belasting geheven. Het optreden van internationale dubbele belastingheffing wordt wereldwijd als onwenselijk beschouwd. Echter zijn er internationale afspraken gemaakt tussen landen waarin is geregeld welke staat over welke inkomsten belasting mag heffen (bilaterale belastingverdragen). Maar in veel gevallen rust vooral op het woonland de plicht om belastingvermindering te verlenen.

1.3 Voorkoming dubbele belasting

Om duidelijkheid te brengen over de heffingsbevoegdheid tussen de landen, zijn er verdragen afgesloten. Voor binnenlandse belastingplichtigen zijn er twee soorten regelingen die voorkomen dat er dubbele belasting wordt geheven over hun buitenlandse inkomsten. Dit zijn ten eerste belastingverdragen die Nederland heeft gesloten met een groot aantal landen. Ten tweede zijn dit de Nederlandse bepalingen die in het algemeen van toepassing zijn als er met een bepaald land geen verdrag is gesloten of als een belastingverdrag voor een bepaald geval geen regeling bevat. Deze bepalingen staan in het Besluit voorkoming dubbele belasting 2001.

De meeste belastingverdragen zijn volgens het OESO-modelverdrag, Nederland hecht veel belang aan het OESO-modelverdrag. Onderstaand

In beginsel is de werkstaat heffingsbevoegd over de inkomsten aldaar. Echter is hier een uitzondering op gemaakt wanneer[9]:

* de werknemer gedurende een tijdvak of in het kalenderjaar verblijft in de werkstaat, een totaal van 183 dagen niet te boven gaat, en

* de beloning wordt betaald door of namens een werkgever die geen inwoner is van de werkstaat, en

* de beloning niet aftrekbaar is bij het bepalen van de belastbare winst van een vaste inrichting die, of van een vaste middelpunt dat de werkgever in de woonstaat heeft.

1.3.1. Voorkomingmethoden

Er zijn 2 methoden om dubbele belatsingheffing te voorkomen, namelijk:

* Vrijstellingsmethode met progressievoorbehoud, of

* Verrekenigsmethode

Onder vrijstellingsmethode is het uitgangspunt dat wanneer de woonstaat op grond van een verdrag niet mag heffen, het desbetreffende inkomen in die staat geheel buiten beschouwing wordt gelaten. Doorgaans dient er wel rekening te worden gehouden met het buitenlandse inkomen in die zin dat bij de berekening van de over het binnenlandse inkomen verschuldigde belasting het buitenlandse inkomen in aanmerking wordt genomen. Vervolgens wordt er vermindering verleend op de Nederlandse belasting voor het deel dat betrekking heeft op de buitenlandse inkomsten. Het systeem komt erop neer dat het evenredig deel van de belasting die betrekking heeft op ‘niet- Nederlandse' inkomsten, wordt afgetrokken.

De vrijstellingsmethode wordt als volgt berekend:

De verrekeningsmethode………..

Hoofdstuk 2 “Ontstaan van de bepaling”

De bepaling van artikel 2.5 inzake de keuzemogelijkheid om als binnenlands belastingplichtige te worden behandeld is met de invoering van de Wet IB 2001 in de Wet opgenomen. Een overeenkomstige bepaling in de Wet IB 1964 ontbrak. Het opnemen van de bepaling is een gevolg van ontwikkelingen in het Europese Recht.

Volgens algemene beginselen in het internationale belastingrecht zijn binnenlands belastingplichtigen en buitenlands belastingplichtigen niet vergelijkbaar. Binnen het EG-recht ligt dit anders. Een verschillende behandeling tussen een binnenlands belastingplichtige en buitenlands belastingplichtige zou kunnen leiden tot indirecte discriminatie naar nationaliteit. Buitenlandse belastingplichtigen hebben immers over het algemeen een andere nationaliteit.

Het Hof van Justitie EG heeft in de zaak Schumacker naar een oplossing gezocht voor het probleem van de verschillende behandeling van binnenlands en buitenlands belastingplichtigen. Zij heeft daarbij aangegeven dat er tussen een binnenlandse belastingplichtige en een buitenlandse belastingplichtige die het grootste gedeelte van zijn inkomen in de werkstaat geniet geen objectief verschil bestaat.

In dit hoofdstuk zal stapsgewijs worden uitgelegd hoe de keuzeregeling van artikel 2.5 tot stand is gekomen. Hiervoor zal eerst de 90% regeling en het Schumacker arrest worden behandeld. …………………….

2.1 De 90%- regeling

Veel landen, waaronder Nederland, staan persoonlijke aftrekposten, heffingskortingen en belastingvrije sommen alleen toe als de belastingplichtige in Nederland woonachtig is. In het internationaal belastingrecht is immers de regel dat de persoonlijke tegemoetkomingen worden vergolden in de woonstaat omdat het woonstaat het beste inzicht heeft op de draagkracht van de belastingplichtige. De staat waar de belastingplichtige niet woont maar waar hij wel inkomen verdient, houdt normaliter geen rekening met deze persoonlijke aftrekposten en verminderingen van het inkomen. Dit is ook het geval als het inkomen in de woonstaat zeer gering is en de belastingplichtige vrijwel zijn gehele inkomen in de bronstaat verdient. Het gevolg hiervan is dat de belastingplichtige zijn persoonlijke aftrekposten en verminderingen niet in aftrek kan brengen, omdat zijn belastbare grondslag in zijn woonstaat te gering is. De belastingplichtige zou deze aftrekposten het liefst overhevelen naar de bronstaat en deze in aftrek brengen op de in zijn bronstaat verdiende inkomen, maar in de meeste nationale belastingstelsels was hier geen sprake van. Om hieraan tegemoet te komen hanteerde Nederland ten behoeve van niet-ingezetenen tot en met 2000 de 90%- regeling. Ingevolge deze regeling had de buitenlands belastingplichtige recht op een aantal persoonlijke tegemoetkomingen (met name de persoonlijke aftrekposten, belastingvrije sommen) waar ook een inwoner van Nederland recht op had, mits tenminste 90% van het inkomen van de buitenlandsbelastingplichtige aan de heffing van loon- en/of inkomstenbelasting was onderworpen. In feite was deze regeling blijkens het arrest Schumacker[10] in essentie in overeenstemming met het gemeenschapsrecht. Volgens het Schumacker criterium dient de werkstaat rekening te houden met de persoonlijke aftrekposten indien het inkomen voor ten minste 90% wordt verdiend in de werkstaat. Later is in het arrest Gschwind[11] nadere invulling gegeven over het inkomenscriterium. Deze arresten zullen in de volgende paragrafen nader worden toegelicht.

De invoering van artikel 2.5 hangt nauw samen met enkele arresten van het Europese Hof van Justitie over het vrije verkeer van werknemers en het verbod op discriminatie. Schumacker- arrest is daar één van.

2.2 Schumacker-arrest

Het Schumacker-arrest betrof een inwoner van België die in Duitsland werkte en daar nagenoeg geheel zijn gezinsinkomen verdiende. De heer Schumacker was getrouwd en zijn echtgenote genoot in het betreffende jaar geen inkomen. Als buitenlandse belastingplichtige werknemer in Duitsland werd de heer Schumacker zwaarder belast dan binnenlands belastingplichtige werknemers. Ten eerste werd de heer Schumacker als niet inwoner van Duitsland ingedeeld in tariefgroep 1 (algemene tarief voor ongehuwde werknemers) en niet in het splittingtarief, ongeacht zijn burgerlijke staat. Het splittingtarief werd alleen toegekend indien beide echtgenoten inwoner zijn van Duitsland. Het voordeel van het splittingtarief is dat gehuwden het inkomen onderling kunnen verdelen, waardoor het tariefsprogressie wordt verzacht. Ten tweede heeft de heer Schumacker, als buitenlandsbelastingplichtige, geen recht op verrekening van te veel ingehouden Duitse loonbelasting. Evenmin wordt rekening gehouden met bepaalde aftrekken die hun oorsprong in de persoonlijke en gezinssituatie vinden. Naar aanleiding hiervan heeft de heer Schumacker een beroepsprocedure ingesteld tegen de Duitse Belastingdienst.

Allereerst formuleerde het HvJ EG als hoofdregel dat de woonstaat, en niet de werkstaat, rekening moet houden met de persoonlijke en gezinssituatie. Dit is ook een algemeen aanvaard beginsel van internationaal belastingrecht. Deze hoofdregel leidt tot een verschillende behandeling van binnenlands belastingplichtigen en buitenlands belastingplichtigen, maar het HvJ EG acht dit niet in strijd met artikel 39 van het EG- Verdrag. Dit artikel ziet op het vrije verkeer van werknemers binnen de Europese Unie en verbiedt zowel directe als indirecte discriminatie naar nationaliteit. Bij de beantwoording van de vraag of er sprake is van discriminatie overweegt het HvJ EG dat de situatie van ingezeten en niet-ingezetenen voor de directe belastingen in het algemeen niet vergelijkbaar is[12]. In het algemeen ziet het Hof binnenlands en buitenlandsbelastingplichtigen niet als gelijke gevallen. De verschillende fiscale behandeling vormt op zichzelf geen discriminatie en is dus gerechtvaardigd.

Op deze hoofdregel dient evenwel een uitzondering te worden gemaakt in het geval dat de belastingplichtige een zodanig deel van zijn inkomen verdient in de werkstaat dat hij zijn aftrekposten in zijn woonstaat niet meer (in voldoende mate) kan effectueren. In die situatie dient de werkstaat de persoonlijke aftrekposten toe te kennen [13]. Tevens oordeelt het HvJ EG met betrekking tot het niet toestaan van het splittingtarief aan de heer Schumacker het volgende:

“dat het (vrij verkeer van werknemers) zich verzet tegen de toepassing van de regeling van een Lid- Staat waardoor een werknemer die onderdaan van een andere Lid- Staat is, waarin hij ook woont, en die in eestgenoemde staat arbeid in loondienst verricht, zwaarder wordt belast dan een werknemer die in de eerste staat woont en aldaar dezelfde werkzaamheid verricht, wanneer, zoals in casu in het hoofdgeding, de onderdaan van de tweede staat zijn inkomen geheel of vrijwel uitsluitend verwerft door de in de eerste staat verrichte arbeid en in de tweede staat onvoldoende inkomsten geniet om aldaar aan een belastingheffing te worden onderworpen, waarbij rekening kan worden gehouden met zijn persoonlijke en gezinssituatie.” [14]

Naar aanleiding van het Schumacker-arrest leek de conclusie gerechtvaardigd om binnenlands- en buitenlands belastingplichtigen gelijk te behandelen, indien een buitenlands belastingplichtige zijn inkomen geheel of vrijwel uitsluitend verwerft in de werkstaat (inkomenseis) en in de woonstaat onvoldoende inkomsten geniet om aldaar aan een belastingheffing te worden onderworpen, waarbij rekening kan worden gehouden met zijn persoonlijke en gezinssituatie (persoonlijke en gezinssituatie-eis).

2.3 Invulling aan het Schumacker- arrest

Na het Schumacker-arrest was er nog onduidelijkheid over het inkomenseis en persoonlijke en gezinssituatie-eis. Na het Schumacker-arrest zijn er ook arresten geweest die invulling hebben gegeven. Één van deze arresten is het Gschwind- arrest, waarin het inkomenseis naar voren kwam.

2.3.1 Inkomenseis

In het Schumacker-arrest was door het HvJ EG bepaald dat er moest worden uitgegaan van het 90%-criterium om te bepalen of een belastingplichtige in aanmerking kon komen voor de kwalificatie als binnenlands belastingplichtige. Bijzonderheid daarbij is dat niet het persoonlijke inkomen als maatstaf is genomen, maar het gezinsinkomen. In het Gschwind- arrest kwam dit aspect naar voren.

De heer Gschwind, woonachtig in Nederland, verdiende meer dan 90% van zijn inkomen in Duitsland. Echter was zijn echtgenote werkzaam in Nederland. Omdat het totale gezinsinkomen niet ten minste voor 90% werd genoten in Duitsland, kon de heer Gschwind geen beroep doen op de gelijkstelling met binnenlands belastingplichtigen, waardoor hij met name de toepassing van de splittingregeling misliep. Het HvJ EG besliste in dit arrest dat Duitsland de inkomenstoets per gezin moest toepassen en niet per individu. Het HvJ Eg sprak het volgende uit:

“aan niet-ingezetenen echtparen als voorwaarde stelt dat ten minste 90% van hun wereldinkomen in die lidstaat (werkstaat) aan belasting is onderworpen, (…), waardoor het mogelijk blijft om in de woonstaat met hun persoonlijke en gezinssituatie rekening te houden.”[15]

De heer Gschwind verloor zijn zaak omdat hij, anders dan de heer Schumacker, niet nagenoeg het gehele gezinsinkomen in de werkstaat verdiende en het gezin een zondanig inkomen in de woonstaat had, dat deze in voldoende mate rekening kon houden met de persoonlijke aftrekposten.

2.3.2 Persoonlijke- en gezinssituatie-eis

In beide hiervoor genoemde arresten is door het HvJ EG geen aandacht geschonken aan de werking van de voorkomingbreuk ter bepaling van de aftrek ter voorkoming van dubbele belasting. Door de werking van deze voorkomingbreuk krijgt iemand die een deel van zijn arbeidsinkomsten verwerft in de andere staat, zijn persoonlijke aftrekken slechts vergolden voor zover het inkomsten in de eigen staat verwerft, met andere woorden, iemand die de helft van zijn inkomsten in de woonstaat verwerft en de andere helft daarbuiten verwerft, kan door de werking van de voorkomingbreuk slechts de helft van zijn persoonlijke aftrekken effecturen.

3.2.De zaak De Groot

In zijn conclusie in de zaak De Groot15 heeft A-G Wattel voor een andere benadering gekozen dan het HvJ EG in de zaak Schumacker. A-G Wattel heeft een voorstel gedaan voor een pro-rata methode, inhoudende dat iedere lidstaat voor een pro-rata gedeelte van het wereldinkomen een nationaalrechtelijke behandeling verleent en daarmee pro rata rekening houdt met de persoonsgebonden aftrekposten.

Het HvJ EG heeft in het arrest De Groot niets gedaan met deze conclusie van A-G Wattel. Wel opmerkelijk is de uitzondering die het HvJ EG in r.o. 100 van het arrest De Groot maakt. De woonstaat hoeft geen persoonsgebonden aftrekpost te geven, wanneer één of meer werkstaten deze persoonsgebonden aftrekpost al geeft. Deze rechtsoverweging zou in de praktijk tot gevolg kunnen hebben dat de woonstaat en de werkstaat af gaan wachten tot de andere staat de persoonsgebonden aftrekposten verleent.

[1] Artikel 2.1 Wet Inkomstenbelasting 2001

[2] Artikel 7.1 Wet Inkomstenbelasting 2001

[3] Artikel 4 lid 1 Algemene Wet inzake Rijksbelastingen

[4] Artikel 2 Wet op de Loonbelasting 1964

[5] Artikel 7:610 Burgerlijk Wetboek

[6] Artikel 2, lid 1 Wet op de Loonbelasting 1964

[7] Artikel 3 en 4 Wet op de Loonbelasting 1964

[8] Artikel 34 Wet op de Loonbelasting 1964 en artikel 11 Uitvoeringsbesluit Wet op de Loonbelasting 1965

[9] Artikel 4 van het OESO- modelverdrag

[10] Hof van Justitie 14 februari 1995, C-279/93 (Schumacker)

[11]Hof van Justitie 14 september 1999, C-391/97 (Gschwind)

[12] Hof van Justitie 14 februari 1995, C-279/93 Sschumacker), r.o. 31

[13] Hof van Justitie 14 februari 1995, C-279/93 Sschumacker), r.o. 36, r.o. 38

[14] Hof van Justitie 14 februari 1995, C-279/93 Schumacker), r.o. 47

[15] Hof van Justitie 14 september 1999, C-391/97 (Gschwind), r.o. 32

Please be aware that the free essay that you were just reading was not written by us. This essay, and all of the others available to view on the website, were provided to us by students in exchange for services that we offer. This relationship helps our students to get an even better deal while also contributing to the biggest free essay resource in the UK!