De juridische

De juridische basis voor levensbeëindigend handelen bij minderjarigen

Inleiding

De keuze om mijn paper te schrijven over levensbeëindiging bij minderjarigen was voor mij een makkelijke keuze nadat ik het boek ‘De stoel van god' van Paul Brand had gelezen. Het boek vertelt het verhaal van de Theo van Diepen die kinderarts is gespecialiseerd in longziekten. De periode tussen zijn eerste coschappen tot uiteindelijke functie als kinderlongarts wordt uitgebreid beschreven in het verhaal. Een groot deel van het boek draait om jonge kinderen die binnen korte tijd zullen overlijden aan hun ziekte. De schrijver vertelt dat actieve levensbeëindiging vaak wordt toegepast om het leed van deze zeer jonge patiënten te verzachten en hen een waardige dood te geven. Echter, veel van deze handelingen worden niet gemeld bij de daarvoor aangewezen personen. Dat komt omdat actieve levensbeëindiging bij minderjarigen onder de twaalf door de wet verboden is. Artsen die zich hier schuldig aan maken plegen een misdrijf en kunnen worden vervolgd voor moord. De rode draad van het boek is gebaseerd op de jonge patiënt Klaas bij wie op peuterleeftijd taai-slijmziekte wordt gediagnosticeerd. Van Diepen wordt behandelend arts van Klaas en ziet hem in de loop der jaren afglijden tot hij in de terminale fase van zijn ziekte terecht komt. De arts verbaast zich erover hoe sterk Klaas is en dat hij op elfjarige leeftijd psychisch zijn leeftijd ver vooruit is. Omdat Klaas beseft dat hij niet lang te leven heeft en zichzelf en naaste familie leed wil besparen dient hij een verzoek in om zijn leven te beëindigen. Na uitgebreid overwegen en uitvoerige gesprekken met collega's en de ouders van Klaas besluit Van Diepen de daad bij het woord te voeren en Klaas een letale injectie te geven. Van Diepen heeft de bedoeling gehad open en eerlijk te zijn in zijn handelen en besluit deze dood te rapporteren als onnatuurlijk. Na de melding bij de gemeentelijke lijkschouwer gaat het balletje rollen en wordt hij door de officier van justitie vervolgd voor moord en schuldig bevonden.[1]

Voor minderjarigen vanaf twaalf jaar is er al regelgeving voor actieve levensbeëindiging (Wet Toetsing levensbeëindiging). Ook voor pasgeborenen met ernstige ziektes of aandoeningen zijn er richtlijnen opgesteld voor actieve levensbeëindiging (Groningen protocol). Maar voor minderjarigen tussen de leeftijd van pasgeborene en onder twaalf bestaan er geen regels, wetten of richtlijnen. In mijn paper wil ik ten eerste kijken hoe de WTL in elkaar steekt en ga ik in op het Groningen protocol. Daarna ga ik een aantal mogelijke oplossingen voordragen waardoor ook minderjarigen onder de twaalf zouden kunnen kiezen voor levensbeëindiging. Dit vergroot niet alleen de rechten van minderjarigen, maar voorkomt ook dat artsen risico op vervolging lopen.[2][3]

De Wet toetsing levensbeëindiging (WTL)

In 2002 is de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding in werking getreden. Deze wet wordt ook wel de WTL genoemd of de Euthanasiewet. Voorheen was euthanasie een overkoepelende naam voor allerlei medische handelingen met als doel een leven te beëindigen.[2]

Tegenwoordig definieert men euthanasie als opzettelijk levensbeëindigend handelen door een ander dan de betrokkene, op diens verzoek. Sinds 2002 is er nu dus regelgeving waardoor artsen legaal euthanasie kunnen toepassen. Er zijn vele jaren aan discussie en debat voorafgegaan voor deze wet eindelijk is geaccepteerd.[2]

In de loop der jaren zijn medici, ethici en juristen tot een consensus gekomen dat alleen onder duidelijke voorwaarden euthanasie gepleegd kon worden. Daarnaast is er ook een meldingsplicht en een toetsingscommissie in het leven geroepen zodat alle gevallen van euthanasie getoetst kunnen worden aan zorgvuldigheidseisen.[2]

In de WTL zijn de volgende zorgvuldigheidseisen opgenomen waaraan elke patiënt moet voldoen alvorens aan euthanasie gedacht kan worden.

‘'De zorgvuldigheidseisen houden in dat de arts:

* de overtuiging heeft gekregen dat er sprake is van een vrijwillig en weloverwogen verzoek van de patiënt;

* de overtuiging heeft gekregen dat er sprake is van uitzichtloos en ondraaglijk lijden van de patiënt;

* de patiënt heeft voorgelicht over de situatie waarin deze zich bevindt en over diens vooruitzichten;

* met de patiënt tot de overtuiging is gekomen dat er voor de situatie waarin deze zich bevindt geen redelijke andere oplossing is;

* tenminste één andere, onafhankelijke arts raadpleegt, die de patiënt ziet en schriftelijk zijn oordeel geeft over de bovengenoemde zorgvuldigheidseisen;

* de levensbeëindiging of hulp bij zelfdoding zorgvuldig uitvoert.''[4]

Na het verrichten van euthanasie of hulp bij zelfdoding moet de arts de dood melden als niet natuurlijk bij de gemeentelijke lijkschouwer. De gemeentelijke lijkschouwer stuurt het verslag van de arts en het verslag van de second-opinion arts naar één van de vijf regionale toetsingscommissie en de officier van justitie. Als de arts volgens de zorgvuldigheidseisen heeft gehandeld zal de officier van justitie het lijk vrijgeven voor begrafenis of crematie. Een regionale toetsingscommissie bestaat uit een medicus, ethicus en een jurist en zij zullen zich over de zaak buigen.[2]

Leeftijdsgrenzen voor minderjarigen in de WTL

De WTL gaat ook op voor een bepaalde groep minderjarigen in Nederland. Patiënten van twaalf jaar of ouder kunnen, mits daar een medische indicatie voor is, ook bij een arts aangeven dat ze levensbeëindiging willen. Er is een zekere indeling voor minderjarigen en deze is gerelateerd aan de leeftijdscategorieën die worden gehandhaafd in de Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst (WGBO).

De volgende leeftijdsgrenzen worden gehandhaafd:

* Zestien en zeventien jarige patiënten die wilsbekwaam zijn kunnen onafhankelijk een beroep doen op euthanasie. In de wet ben je medisch gezien meerderjarig vanaf je zestiende en mag je onafhankelijk van je ouders beslissen over geneeskundige zorg en daarbij horende beslissingen.

* Twaalf tot zestienjarigen die wilsbekwaam zijn mogen van de WTL ook een verzoek tot euthanasie indienen. Voorwaarde voordat het verzoek ingewilligd kan worden is wel dat de ouders van de patiënt zich ook bij het verzoek aansluiten en achter de wens van de patiënt staan.[2]

WTL heeft geen betrekking op patiënten onder de twaalf

Patiënten onder de twaalf vallen buiten de WTL. De toenmalige wetmakers hebben hiervoor gekozen om in lijn te blijven met de WGBO. Voor de wet zijn alle patiënten onder de twaalf per definitie wilsonbekwaam. De wet kijkt niet naar individuen zelf, maar in plaats daarvan trekken ze een grens en bepaalt het passeren van een leeftijd of je wel of niet in staat bent om over jezelf te kunnen beslissen. Als een patiënt onder de twaalf een verzoek indient voor actieve levensbeëindiging, dan mag een arts hier nooit gehoor aan geven omdat het niet rechtsgeldig is. Mocht een arts wel gehoor geven aan een dergelijk verzoek dan zal de arts strafrechtelijk vervolgd worden. Of de patiënt de levensbeëindiging zelf heeft aangevraagd of niet zal dit per definitie worden getypeerd als levensbeëindiging zonder verzoek. En levensbeëindiging zonder verzoek is juridisch gezien hetzelfde als moord.[2]

Een absolute leeftijdsgrens van twaalf jaar: een probleem

Bij discussies over een vaste leeftijdsgrens werd vastgesteld dat de leeftijdsgrenzen in de WGBO en WTL in overeenstemming zijn met wat de wet voorschrijft als leeftijdsgrenzen voor wilsbekwaamheid en wilsonbekwaamheid. In parlementaire behandelingen echter, is meermaals gebleken dat deze absolute leeftijdsgrens niet altijd gehandhaafd wordt in de praktijk. Het komt zeker voor dat patiënten onder de twaalf psychologisch en cognitief gezien volledig wilsbekwaam zijn en een heel goede inschatting kunnen maken van hun ziekte en hun situatie.[5]

Buiten parlementaire behandelingen om werd ook door de Staatscommissie euthanasie al geconstateerd dat het niet ondenkbaar is dat sommige minderjarigen onder de twaalf ondanks hun leeftijd al goed inzagen wat de omvang was voor een verzoek tot levensbeëindiging. De staatscommissie zag weinig reden om een verzoek tot levensbeëindiging van een minderjarige niet als even gewichtig te beschouwen als een verzoek van een meerderjarige als aan alle zorgvuldigheidseisen kon worden voldaan.[5]

Prof. Dr. H. Leenen stelde in zijn handboek Gezondheidsrecht dat een verzoek tot actieve levensbeëindiging van een minderjarige, die zijn situatie goed inziet en de consequenties van zijn verzoek volledig begrijpt, niet zomaar opzij gelegd mag worden. Een terminaal ziek kind van tien of elf jaar kan zeer goed begrijpen dat hij in een uitzichtloze situatie verkeert waarin hij alleen nog maar zal gaan lijden. Hij zegt echter wel dat je bij een verzoek van een minderjarige extra voorzichtig moet zijn vanwege de jonge leeftijd en het ziekteproces dat invloed heeft op het gedrag van de patiënt.[6]

Uit onderzoek van Van der Wal, Van der Maas e.a. naar euthanasie is gebleken dat veel kinderartsen in Nederland de absolute leeftijdsgrens te zwart/wit vinden. Ook is gebleken dat kinderartsen veelal soepeler omgaan met levensbeëindiging bij minderjarigen dan de wet zou willen. Ook de mening van andere artsen en de publieke opinie getuigt ervan dat de wetgeving voor grensgevallen bij levensbeëindiging bij minderjarigen meer nuance behoeft dan de wet te bieden heeft.[6]

Groningen protocol

Ook levensbeëindiging bij ernstig zieke of aangedane pasgeborenen was een groot punt van debat. In Nederland werd in 2004 slechts veertig procent van alle levensbeëindigende handelingen bij pasgeborenen gemeld. In 2004 is het Groningen protocol opgesteld door artsen van het Academisch Ziekenhuis Groningen (nu het UMCG).[3] Het protocol geeft richtlijnen en criteria voor artsen die overwegen levensbeëindigend te handelen bij ernstig zieke pasgeborenen die anders onnodig en uitzichtloos moeten lijden. Het grote voordeel van dit protocol is, is dat het een schakel vormt tussen het openbaar ministerie en de behandelend artsen en als er conform het protocol gehandeld wordt, zal vervolging voor moord uitblijven. Eén van de redenen voor het opstellen van het Groningen protocol is dat er toentertijd naar schatting 600 gevallen per jaar waren van levensbeëindiging zonder verzoek terwijl maar veertig procent van de gevallen werd gemeld bij de gemeentelijke lijkschouwer. Het uitblijven van deze meldingen getuigt van onzekerheid en angst voor procedures en strafvervolging.

Verder is het psychologisch erg belastend en onwenselijk om vervolgd te worden voor moord terwijl er ethisch gezien juist gehandeld is. Moord is een technisch-juridische term om bepaalde gerichte levensbeëindigende handelingen te omschrijven. Maatschappelijk echter, heeft de term moord een vervelende lading.[3]

Ik wil het bovenstaande graag verduidelijken door een casus te omschrijven die door de arts gerapporteerd is om een idee te geven in wat voor situaties levensbeëindiging zonder verzoek wellicht toegepast wordt.

De zaak Prins

Gynaecoloog H. Prins werd vervolgd voor levensbeëindiging zonder verzoek bij een drie dagen oud meisje met een ernstige aandoening. In maart 1993 werd een meisje geboren met een zeer ernstig open ruggetje met dwarslaesie, daarnaast had ze ook een hydrocephalus (waterhoofd). Uit uitgebreid onderzoek en uitvoerig overleg tussen artsen van verschillende specialismen concludeerden ze dat een operatie medisch zinloos was. Ook bleek dat het meisje enorm leed en geen enkele behandeling kon haar behoeden voor de bijkomende. Na gesprekken met de ouders en consulten bij onafhankelijke artsen heeft de arts besloten om over te gaan op levensbeëindiging. De arts wilde dit niet in het verborgen houden en besloot zijn daad te melden bij de gemeentelijke lijkschouwer. Het resultaat was een langdurig proces dat tot in 1996 duurde. Uiteindelijk is deze arts vrijgesproken, de rechtbank oordeelde dat de arts zeer zorgvuldig had gehandeld en dat de beweegredenen voor levensbeëindiging aanvaard waren:

* Er was sprake van ondraaglijk en uitzichtloos lijden waar geen adequate behandeling meer voor was.

* De arts heeft uitvoerig overlegd met de ouders en andere (onafhankelijke) artsen.

* De ouders van het meisje hebben volledig ingestemd met de levensbeëindigende handeling.

* Het hele behandelplan en de uitvoering waren in lijn met richtlijnen voor verantwoord medisch-ethisch handelen.[7]

De bovenstaande zorgvuldigheidseisen vertonen heel veel gelijkenissen met de algemene criteria voor levensbeëindiging en hulp bij zelfdoding zoals deze vermeld staan de WTL.[2]

Mogelijke oplossingen

In de onderstaande tekst wil ik een aantal mogelijke oplossingen aandragen voor de problematiek rond de toetsing van levensbeëindiging bij minderjarigen in de leeftijd tussen pasgeborene en twaalf jaar.

Mogelijkheid één:

Het instellen van een landelijke commissie die levensbeëindiging bij minderjarigen tot twaalf beoordeelt.

Hierbij denk ik aan een soort Groningen protocol dat betrekking heeft op minderjarigen die buiten het originele Groningen protocol vallen en minderjarigen tot twaalf jaar. Dit zou juridisch goed mogelijk zijn omdat de juridische status van pasgeborenen en minderjarigen tot twaalf jaar precies hetzelfde is. Aan de andere kant moeten er wel nieuwe zorgvuldigheidseisen aan toegevoegd worden omdat je te maken hebt met individuen met een ontwikkelde cognitie, een eigen mening en inzicht in hun eigen situatie. Je kunt niet zomaar zelf oordelen wat het beste is voor de patiënt zonder die zelf te consulteren. Verder denk ik dat de samenstelling van een deskundigenpanel uitgebreid moet worden. Naast de standaard medicus, ethicus en jurist zou er iemand van het openbaar ministerie bij moeten zitten en een specialist in de betreffende aandoening of ziekte waar het kind aan lijdt. Uitbreiding van een panel lijkt mij zeer verstandig omdat het minderjarigen tot twaalf jaar betreft en je begeeft je medisch, ethisch en juridisch op zeer glad ijs. Bij een gevoelig thema als dit is er geen ruimte voor speling.

Door dit systeem kunnen alle gevallen van levensbeëindiging bij patiënten tot twaalf jaar getoetst worden aan de vastgestelde criteria waardoor er meer inzicht en controle is over de praktijk van deze handelingen. Uiteindelijk zouden artsen en kinderen erop vooruit gaan: kinderen krijgen meer rechten en artsen worden beter beschermd.

Wat een probleem zou kunnen zijn van dit systeem is dat er in Nederland ontzettend weinig gevallen zijn waarin artsen gevraagd worden om levensbeëindigend te handelen bij minderjarigen onder de twaalf die niet pasgeboren zijn. Volgens een schatting van kinderarts en auteur Paul Brand zou een scenario waarin een minderjarige zelf om levensbeëindiging vraagt slechts tien keer per jaar voorkomen.[1] Het is de vraag of de baten de kosten overtreffen om voor tien gevallen per jaar een compleet nieuwe commissie samen te stellen en een protocol te formuleren.

Mogelijkheid twee:

Vernieuwde regelgeving waarin de leeftijdsgrens van twaalf jaar uit de WTL wordt geschrapt.

Door het wegvallen van de wettelijke leeftijdsgrens voor levensbeëindiging zou het voor sommige minderjarige patiënten een stuk makkelijker worden om een verzoek tot levensbeëindiging in te dienen dat gehonoreerd zou worden. Door een dergelijke genoemde wetswijziging zou de procedure gelijk zijn als bij normale euthanasie behalve dat er door de arts geoordeeld moet worden of de patiënt volledig wilsbekwaam is en goed zijn situatie inziet.

Het is toch niet eerlijk dat een minderjarige onder de twaalf door moet lijden, terwijl een meerderjarige patiënt toestemming zou kunnen krijgen voor euthanasie terwijl zij wellicht mentaal en cognitief even goed ontwikkeld zijn.

Er kleven echter wel wat bezwaren aan dit systeem. Een beslissing van één of enkele artsen die luidt dat een minderjarige patiënt volledig wilsbekwaam is, is zeer subjectief. Het zou ook voor de artsen een moeilijkere beslissing zijn omdat ze geen wet hebben om hun beslissing mee te onderbouwen. Juist omdat er geen checklist vol met criteria is die aangeeft of een minderjarige echt wilsbekwaam is. Verder zou een voorstel zoals deze een zeer heftige publieke en politieke discussie geven.

Conclusie

Sinds de introductie van de WTL is er discussie of er ook voor minderjarigen regelingen moeten komen voor levensbeëindiging. Omdat in zeldzame gevallen ook minderjarigen te maken krijgen met ernstige ziektes of aandoeningen zou het voor deze patiënten en hun familie erg wenselijk zijn om regelgeving te hebben voor levensbeëindiging. Het zou de patiënt en diens familie veel leed en verdriet kunnen besparen. Door strenge regelgeving is dit vooralsnog helaas onmogelijk. Desondanks is er in 2004 een doorbraak gekomen in dit systeem door de invoering van het Groningen protocol. Dit protocol maakte het mogelijk legaal levensbeëindigend te handelen bij pasgeborene. Voor minderjarigen net onder de twaalf zijn er echter geen oplossingen. Hoewel er theoretisch wel opties aangedragen kunnen worden zijn deze in de praktijk moeilijk te bewerkstelligen. De risico's zijn wellicht te groot en er zijn misschien te veel ethische en juridische bezwaren om dit ooit voor elkaar te krijgen.[2][3]

Referenties

[1] Paul Brand, De stoel van God, Maarn: Sapienta/Prelum uitgevers, 2006

[2] Website KNMG, Ism VWS, min.just. Euthanasie: zorgvuldig van begin tot einde De wet toetsing levenseinde op verzoek en hulp bij zelfdoding in de praktijk. http://knmg.artsennet.nl/web/show/search?q=wet+toetsing+levenseinde&id=342564&from=0&to=10&domain=KNMG

[3] Eduard Verhagen, M.D., J.D., and Pieter J.J. Sauer, M.D., Ph.D. The Groningen Protocol — Euthanasia in Severely Ill Newborns. The NEJM, volume 352, 959-962, March 2005

[4] website euthanasiecommissie, http://www.euthanasiecommissie.nl/wetgeving/zorgvuldigheidseisen/ geraadpleegd op 10 januari 2010

[5] J. Legemate, Medisch handelen rond het levenseinde, Houten: Bohn Stafleu van Loghum 2006

[6] H.J.J. Leenen, Handboek Gezondheidsrecht. Deel 1. Rechten van mensen in de gezondheidszorg, Alphen aan den Rijn, Samson HD Tjeenk Willink

[7] Rechtbank Alkmaar 26 april 1995, Tijdschrift voor Gezondheidsrecht, 1995 p. 292-301

Please be aware that the free essay that you were just reading was not written by us. This essay, and all of the others available to view on the website, were provided to us by students in exchange for services that we offer. This relationship helps our students to get an even better deal while also contributing to the biggest free essay resource in the UK!