Emotie en psychopathologie

Inleiding

Het totaal aantal kinderen en adolescenten met een meer of minder ernstige aandoening wordt in Nederland geschat op 400.000 tot 800.000 (Ten Haven, Ter Meulen, & Van Leeuwen, 1998).

Bijna 300 diagnosen en clusters van diagnosen worden beschouwd als een chronische aandoeningen bij kinderen. Veel voorkomende chronische medische aandoeningen zijn astma, cystic fibrosis, diabetes mellitus en de sikkelcelziekte. Een chronische aandoening in de kindertijd kan van grote invloed zijn op het psychosociaal welzijn van het kind en zijn familie. Het is bijvoorbeeld mogelijk dat een kind lessen op school moet missen en niet deel kan nemen aan evenementen op de sportclub. Hierdoor is het denkbaar dat het kind achter raakt op school en verwijderd raakt van zijn leeftijdsgenoten, waardoor hij zich gesoleerd en anders dan de rest gaat voelen. Resultaten van een meta-analyse laten zien dat kinderen met een chronische aandoening een verhoogd risico hebben op algemene aanpassingsproblemen, internaliserende problemen en externaliserende problemen wanneer deze groep wordt vergeleken met een controlegroep (Lavingne & Faier-Routman, 1992). Een veel voorkomend verschijnsel bij kinderen met een chronische ziekte zijn depressieve symptomen. Ook hier is onderzoek naar gedaan. Bennet et al. (1994) vond verschillende klachten bij de verschillende chronische ziekten. Zo vond hij dat kinderen met een bepaalde chronische ziekte, zoals astma en de sikkelcelziekte, een groter risico hadden op depressieve symptomen dan kinderen met een andere chronische ziekte, zoals kanker en diabetes.

Definitie 'Chronische ziekte'

Wat kunnen we nu eigenlijk verstaan onder een chronische aandoening? In de loop der tijd zijn er veel verschillende definities ontstaan. Om tot een duidelijke definitie te komen is een consensusprocedure gestart (Mokkink et al., 2007). De Nederlandse definitie waarover in oktober 2004 consensus is verkregen omvat vier criteria. In de eerste plaats moet de aandoening voorkomen bij kinderen en adolescenten tot 19 jaar. Daarnaast moet de aandoening vast te stellen zijn met behulp van medisch-wetenschappelijke kennis middels een meetproces, waarbij de methode en instrumenten volgens de beroepsgroep valide en reproduceerbaar zijn. Bij een chronische aandoening is er verder sprake van een aandoening die (nog) niet te genezen is en tot slot moet de aandoening ten minste 3 maanden bestaan, dan wel waarschijnlijk langer duren, of zijn er in het afgelopen jaar 3 ziekte-episoden geweest. De beperking die hiermee samenhangt wordt door de World Health Organisation gedefinieerd als verlies van het vermogen om een activiteit uit te voeren zoals dit als normaal wordt verondersteld bij het gemiddelde individu.

Psychosociale gevolgen

Barlow et al. (2006) stellen dat een chronische ziekte in de kindertijd kan van grote invloed zijn op het psychosociaal welzijn van een kind. Zo is de kans groot dat de aanwezigheid van fysische factoren, zoals pijn en vermoeidheid, gecombineerd met de noodzaak om met de ziekte om te gaan, interfereren met het dagelijks leven van het kind en zijn omgeving. Kinderen van schoolleeftijd moeten soms regelmatig behandelingen ondergaan en kunnen door hun ziekte of door de ziekenhuisopnames genoodzaakt zijn om veel van school te missen. Gevolg hiervan kan zijn dat de educatie verstoord wordt en dat het kind verwijderd raakt van zijn leeftijdgenoten, met als resultaat een gevoel van isolatie, een gevoel van anders zijn en problemen met het bij blijven van schoolwerk.

De psychosociale consequenties van een chronische ziekte voor een kind zijn bij verschillende ziektes onderzocht (diabetes; Cox & Gonder-Frederick, 1992). Daarnaast is onderzoek gedaan naar de verschillen tussen de verschillende ziektes (Wallander et al. 1988). Bij sommige studies worden tegengestelde resultaten gevonden, waar bij andere studies weinig of zelfs geen invloed wordt gevonden op het psychosociaal welzijn van het kind. Vandvik (1990) deed bijvoorbeeld onderzoek naar dit fenomeen bij kinderen met JIA. Hij vond dat 64% van de 106 kinderen die hij onderzocht ten minste op een laag niveau psychische problemen ervaren en dat 50% een psychiatrische diagnose (zoals angst of een affectieve stoornis) had. In tegenstelling zijn er studies waarbij kinderen met JIA op psychosociaal niveau binnen de normale range functioneren (Huygen et al., 2000) of zelfs helemaal geen verschil vertonen met leeftijdgenoten (Shaw, 2001).

Door de vele tegengestelde resultaten is er geen duidelijk beeld over de psychosociale gevolgen voor een kind met een chronische ziekte. Het is echter belangrijk dat er verder onderzoek naar gedaan wordt. Psychosociale gevolgen van opgroeien met een chronische ziekte kunnen namelijk van grote invloed zijn op de ontwikkeling van een kind.

Betekenisverlening

Kinderen en adolescenten ervaren een ziekte vaak als stressvol. Cognities spelen hierbij een belangrijke rol in de betekenisverlening van een situatie. Een persoon is geneigd om een situatie vrijwel automatisch een betekenis toe te kennen aan een situatie. Elke situatie krijgt vrijwel automatisch een betekenis toegekend. Deze betekenis oefent een belangrijke invloed uit op de emoties die de ziekte oproept. Door het evalueren van de consequenties kan de betekenisverlening of 'appraisal' helpen om stressvolle situaties in te schatten (Lazarus & Folkman, 1984). Van Veldhuizen & Last (1988) onderscheiden vijf componenten die bij een chronische ziekte van invloed zijn op emoties. Deze componenten zijn: inperking van de leefwereld, onzekerheid, verantwoordelijkheid, onbeheersbaarheid van de situatie, en de lange duur van de situatie. Inperking van de leefwereld kan optreden door bijvoorbeeld het missen van lessen op school, opnames is het ziekenhuis en het minder kunnen deelnemen aan overige sociale activiteiten Deze beperking in het dagelijkse leven leidt regelmatig tot gevoelens van boosheid, frustratie, teleurstelling en eenzaamheid. Hiernaast kunnen, door de onvoorspelbaarheid van hoe de ziekte zich verder zal ontwikkelen en de onzekerheid over de uitkomst van de ziekte, gevoelens ontstaan van hoop en vrees. Verder voelen kinderen en adolescenten zich soms verantwoordelijk voor hun slechte gezondheid. Zij zien zichzelf als de veroorzaker van de ziekte. Hierdoor kan boosheid ontstaan. Tot slot veroorzaakt een chronische ziekte vaak ook een gevoel van onbeheersbaarheid. Het kind of de adolescent kan heeft weinig invloed op het proces van de ziekte waardoor hij zich vaak angstig en machteloos voelt. Wanneer een ziekte lang duurt en dit gepaard gaat met geen uitzicht op verbetering op de korte termijn kan dit gevoelens van hulpeloosheid en depressie oproepen. Deze vijf componenten kunnen betekenisbepalend zijn.

Definitie coping

Naast de betekenisverlening spelen ook subjectieve factoren een belangrijke rol in de wijze waarop een persoon stressvolle situaties interpreteert en effectief met deze situaties om kan gaan. Lazarus en Folkman (1984) definiren het begrip 'coping' als alles wat een persoon doet om controle te krijgen over een situatie die als bedreigend wordt gezien. Zij onderscheiden twee typen van betekenisverlening: primaire en secundaire betekenisverlening. Bij primaire betekenisverlening wordt de stressvolle situatie door de persoon genterpreteerd. Hierbij zal de situatie worden beoordeeld en zal worden gekeken hoe bedreigend deze is. Situaties die overeenkomen met de behoeften en wensen van een individu zullen positieve emoties tot gevolg hebben. Daarentegen, als de situatie niet overeenkomt met de belangen en wensen van een persoon zal de situatie negatieve emoties tot gevolg hebben (Frijda, 1986). Secondaire betekenisverlening houdt in dat de persoon de situatie evalueert en beoordeelt hoe het beste met de stressvolle situatie om te gegaan. Beide vormen van betekenisverlening bepalen samen de kwaliteit en intensiteit van de ervaren stress. Dit benvloedt vervolgens de coping. Lazarus en Folkman (1984) zien coping als een transactioneel proces waarbij interne en externe eisen gehanteerd worden. Dit proces wordt benvloedt door continu veranderende gedragsmatige en cognitieve pogingen van een individu om om te gaan met de stressvolle situatie. Het copingproces verandert voortdurend doordat de betekenisverlening ook steeds verandert.

Coping bestaat uit twee componenten: copingbronnen en copingstijlen (Thoits, 1995). Onder copingbronnen worden algemene attitudes en vaardigheden verstaan die het vermogen tot coping benvloeden. Het kan gaan om attitudes ten aanzien van de eigen persoon en attitudes ten aanzien van anderen. Hiernaast kan het gaan om intellectuele en interpersoonlijke vaardigheden. Copingstijlen kunnen worden gezien als gegeneraliseerde copingstrategien. Het gaat om aangeleerde voorkeuren bij de aanpak en benadering van problemen die voor het individu typerend zijn. Dit is relatief onafhankelijk van specifieke situaties of moeilijkheden.

Hoe wordt de chronische ziekte genterpreteerd door het kind dat eraan leidt en hoe gaan ze ermee om (Maes, Leventhal & De Ridder, 1998)? Onderzoek heeft uitgewezen dat, wanneer wordt gekeken naar de aanpassing aan een chronische ziekte, coping en ziektecognities bepalend zijn.

Copingstrategien

Er wordt onderscheid gemaakt tussen verschillende copingstrategien. In de eerste plaats tussen probleemgerichte coping en emotiegerichte coping. Bij probleemgerichte coping wordt er met de stressvolle situatie omgegaan door het probleem direct aan te pakken. Hierbij wordt geprobeerd om de conflicten tussen de persoon en omgeving op te lossen. Bij emotiegerichte coping staat niet het probleem, maar de emotie die door het probleem opgeroepen wordt centraal. Deze coping is gericht op het verminderen van de emotionele gevolgen van een stressvolle situatie. Zowel probleemgerichte als emotiegerichte coping hebben als doel het direct verminderen van negatieve gevoelens en niet op het wegnemen van de oorzaak van de stress (Lazarus & Folkman 1984).

Naast het onderscheid tussen probleemgerichte en emotiegerichte coping wordt er onderscheid gemaakt tussen toenaderende of actieve coping en vermijdende of passieve coping. Toenaderende of actieve coping kenmerkt zich door de problemen direct aan te pakken en ze niet uit de weg te gaan. De vermijdende of passieve coping daarentegen kenmerkt zich door terugtrekking en ontkenning bij een stressvolle situatie (Roth & Cohen, 1986).

Tot slot wordt er onderscheid gemaakt tussen primaire en secundaire coping (Rothbaum, 1982). Bij de primaire coping probeert het individu stressvolle situaties te begrijpen en deze situaties aan te passen aan zijn eigen wensen. Bij secundaire coping probeert het individu zichzelf aan te passen aan veranderde omstandigheden.

Rothbaum et al. ontwikkelden een verdere classificatie met betrekking tot de primaire en secundaire coping. Zij onderscheidden predictieve, overgedragen, illusoire en interpretatieve controle. Last & Grootenhuis (1998) hebben dit model vertaald naar het Nederlands. In deze vertaling wordt er speciaal aandacht besteed op het onderscheid tussen de twee vormen van coping met betrekking tot een chronische ziekte. De primaire predictieve controle is kenmerkend door het vergaren van kennis over het verloop van de ziekte, de behandeling en de mogelijke bijwerkingen van deze behandeling. De verkregen kennis kan helpen bij de voorspelling van het ziekteverloop en kan ervoor zorgen dat de patint tevreden is met het feit dat hij denkt te weten wat hij kan verwachten. Bij secundaire predictieve controle probeert het kind, de adolescent of de ouders het ziekteverloop zo te voorspellen zodat hij teleurstellingen uit de weg gaat. Een tweede vorm van controle is de overgedragen controle. Primaire overgedragen controle manifesteert zich door te proberen om belangrijke, machtige anderen te manipuleren. Secundaire overgedragen controle komt naar voren door speciale krachten toe te dichten aan behandelende artsen en ervan uit te gaan dat zij wonderen kunnen verrichten. Een derde vorm is de illusoire controle. Primaire illusoire controle wordt gebruikt om een poging te doen invloed uit te oefenen op resultaten die gebaseerd zijn op kansberekening. Dit kan bijvoorbeeld door iets te veranderen in de leefstijl. Dit geeft de patint en/of de ouders het gevoel dat zij zelf iets kunnen doen en bevorderen een gevoel van controle. Secundaire illusoire controle houdt in dat de patint of de ouders de kant kiezen van het lot. Zij gaan ervan uit dat het lot zal bepalen en dat het lot goed voor hen zal zijn. Tot slot de interpretatieve controle. Primaire interpretatieve controle kenmerkt zich door te proberen de ziekte te begrijpen en zo te pogen om de problemen te beheersen of op te lossen. Secundaire interpretatieve controle kenmerkt zich door het zoeken naar de zin van de ziekte en begrip. Dit dient het proces van acceptatie en helpt het kind en de ouders om de zin van de ervaring van de ziekte te ontdekken.

Copingvaardigheden

Om adequaat met stress om te kunnen gaan moeten kinderen en adolescenten over bepaalde vaardigheden beschikken. Deze vaardigheden zijn gebaseerd op verschillende copingstrategien. Volgens Lazarus en Folkman (1984) spelen sociale vaardigheden, probleemoplossende vaardigheden, en gedachten en attituden over de ziekten hierbij een belangrijke rol.

Het is aannemelijk dat het kind of de adolescent voor probleemgerichte coping moet beschikken over sociale en probleemoplossende vaardigheden. Hiernaast is het vermogen om te kunnen zoeken naar informatie en het vermogen om positieve zelfinstructies te kunnen hanteren van belang. Voor de emotiegerichte coping zal het kind of de adolescent over emotionele vaardigheden moeten beschikken. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het zoeken van afleiding.

Sociale vaardigheden zijn ook van grote invloed op coping. Sociale vaardigheden spelen een belangrijke rol wanneer wordt gekeken naar sociale steun. In de literatuur wordt sociale steun positief geassocieerd met het psychosociaal functioneren van een individu met een chronische ziekte. Dit zou vervolgens een positieve invloed hebben op de kwaliteit van leven (Northouse et al, 2002). Sociale steun zou een positieve invloed kunnen hebben op copingattitudes en vaardigheden. Dit is het resultaat van de motivatie door belangrijke anderen. Meijer et al (2002) laten met hun onderzoek zien dat het zoeken van steun, in combinatie met sociaal vaardig zijn, van belang is voor adolescenten met een chronische ziekte. Dit zou hun psychosociaal functioneren positief benvloeden. Daarnaast heeft onderzoek uitgewezen dat het gebruik van de copingstijl 'confrontatie', een copingstijl die wordt gezien als probleemgerichte coping, van positieve invloed is op psychosociaal functioneren van adolescenten die te maken hebben met een chronisch zieke. Belangrijk is wel dat zij beschikken over goede sociale vaardigheden, assertiviteit en zelfvertrouwen.

Tot slot spelen cognitieve vaardigheden een belangrijke rol. Om copingstrategien te verbeteren zijn diverse cognitieve interventies ontwikkeld. Kendall (2000) ontwikkelde een interventieprogramma om kinderen met angstproblematiek te behandelen. Deze interventie berust op het idee dat de cognitieve representaties van kinderen over hun omgeving van grote invloed zijn op de emotionele reactie. Zo wordt de coping van kinderen met angstproblemen vaak gekleurd door vermijding. Dit programma maakt kinderen bewust van bepaalde fysiologische processen van angst en maladaptieve beoordelingen. Hierna kan er cognitieve herstructurering plaatsvinden. Cognitieve vaardigheden worden versterkt waardoor effectieve copingstrategien voor angst kunnen worden toegepast.

Conclusie

Wanneer een kind of adolescent te maken krijgt met een chronische ziekte, heeft dit grote gevolgen. Een chronische ziekte oefent veel druk uit op zijn of haar leven en op het leven van de ouders en eventuele broertjes of zusjes. Zo krijgt een kind te maken met medische factoren. Hiernaast zal een kind of adolescent niet alle lessen op school kunnen volgen en is het niet altijd mogelijk om mee te doen met sport en andere sociale activiteiten. Ook kan een kind of adolescent te maken hebben met afwijkende lichaamskenmerken die uiterlijk zichtbaar zijn en met fysieke klachten. Kinderen en adolescenten met een chronische ziekte lijken, in vergelijking met hun leeftijdsgenoten, meer last te hebben van psychosociale problematiek. Elk kind en elke adolescent reageert anders op stressvolle gebeurtenissen. Factoren als de ernst van de chronische ziekte, de aard, het verloop en de langdurigheid spelen hierbij een belangrijke rol. De manier waarop kinderen en adolescenten omgaan met hun ziekte heeft grote invloed op het psychosociaal functioneren van de kinderen en adolescenten.

In het verleden werd coping gezien als een persoonlijkheidstrek die stabiel was. Deze persoonlijkheidstrek werd niet benvloed door de omgeving van een persoon. Echter, tegenwoordig wordt aangenomen dat dit wel het geval is. Het is niet aannemelijk dat coping geheel onafhankelijk is van de omgeving. Aangenomen wordt dat de omgeving en de verschillende situaties juist invloed uitoefenen op de copingvaardigheden van een kind of adolescent. Met hun transactionele model laten Lazarus en Folkman (1984) zien dat er externe en interne eisen gehanteerd worden bij coping en dat deze eisen onder invloed staan van continu veranderende cognitieve en gedragsmatige pogingen van een individu om om te gaan met de stressvolle situatie. Coping kan gezien worden als een proces dat uit verschillende componenten bestaat. Dit proces verandert constant en is afhankelijk van nieuwe ervaringen en omstandigheden. Copingstrategien worden benvloed door verschillende factoren. Zo spelen het bezit van copingvaardigheden, de betekenisverlening van situaties, en omgevings- en contextuele factoren een belangrijke rol. Echter, wanneer in de literatuur wordt gekeken naar kinderen en adolescenten met een chronische ziekte wordt er geen eenduidig beeld gevonden over de invloed van deze copingvaardigheden en van effectieve copingstrategien. Dit inconsistente beeld wordt voornamelijk veroorzaakt door de diverse definities van coping die gehanteerd worden. Daarnaast worden er verschillende meetinstrumenten gebruikt in onderzoek naar coping. Verder is het belangrijk om onderscheid te maken in de verschillende leeftijdscategorien. Kinderen en adolescenten ontwikkelen zich voortdurend. Hierdoor zijn er grote verschillen te vinden in de verschillende leeftijdsgroepen. Wanneer kinderen worden vergeleken met adolescenten wordt gevonden dat kinderen stabieler zijn in het gebruik van bepaalde copingstrategien. Adolescenten lijken hierin iets flexibeler.

Over het algemeen lijkt een toenaderende of actieve coping geassocieerd met betere aanpassing aan een chronische ziekte. Dit lijkt op zijn beurt een positieve invloed te hebben op het psychosociaal functioneren van kinderen en adolescenten. Het is belangrijk om toekomstig onderzoek te richten op welke copingstrategien voor kinderen en adolescenten effectief zijn wanneer zij te maken krijgen met een chronische ziekte. Daarnaast zou het interessant zijn om te onderzoeken of de verschillende copingvaardigheden en copingstrategien aan te leren zijn. Dit zou het mogelijk maken om kinderen en adolescenten met een chronische ziekte te leren hoe ze adequaat met de ziekte om kunnen gaan. Het zou waardevol zijn om het interactie-effect van sekse en leeftijd bij copingstrategien en copingvaardigheden in het onderzoek mee te nemen. Dit kan ervoor zorgen dat er betere interventies kunnen worden ontwikkeld. Bij gerichte interventie zullen kinderen en adolescenten leren hoe ze zo effectief mogelijk met een chronische ziekte om kunnen gaan. Belangrijk is dat alle factoren worden meegenomen. Hierdoor zal psychosociale aanpassing van een kind of adolescent en het optimaal leren leven met een chronische ziekte bevorderd worden.

Literatuurlijst

  • Barlow, J.H., & Ellard, D.R. (2005). The psychosocial well-being of children with chronic disease, their parents and siblings: an overview of the research evidence base. Child: Care, Health & Development, 32, 19-31.
  • Bennet, D. S. (1994) Depression among children with chronic medical problems: a meta-analysis. Journal of Pediatric Psychology, 19, 149-169.
  • Cox, D.S., & Gonder-Frederick, L, (1992). Major developments in behavioral diabetes research. Journal of Consulting and Clinical Psychology, 60 (4), 628-638.
  • Frijda, N.H., (1986). The Emotions. Cambridge: Cambridge University Press.
  • Kendall, P.C. (2000). Cognitive-behavioral therapy for anxious children. Therapist manual. Admore, PA: Workbook Publishing.
  • Last, B.F., & Grootenhuis, M.A. (1998). Emotions, coping, and the need for support in families of children with cancer: a model for psychosocial care. Patient Education and Counseling, 33,169-179.
  • Lavigne, J. V. & Faier-Routman, J. (1992) Psychosocial adjustment to pediatric physical disorders: a meta-analytic review. Journal of Pediatric Psychology, 17, 133-157.
  • Lazarus RS, Folkman S. Stress, Appraisal , and Coping. New York: Springer, 1984.
  • Maes, S., Leventhal, H., & Ridder, D.T.D. de (1996). Coping with chronic diseases. Handbook of coping: theory, research, application. New York: Wiley, 573-601.
  • Meijer, S.A., Sinnema, G., Bijstra, J.O., Mellenbergh, G.J. Wolters, W.H.G., (2002). Coping styles and locus of control as predictors for psychological adjustment of adolescents with a chronic illness. Social Science a Medicine 54, 1453-1461
  • Mokkink, L.B., van der Lee, J.H., Grootenhuis, M.A., Offring, M., van Praag, B.M.S., Heymans, H.S.A. (2007). Omvang en gevolgen van chronische zoekten bij kinderen, Emma Kinderziekenhuis AMC.
  • Northouse, B. L., Mood, D., Kershaw, T., Schafenacker, A., Mellon, S., Walker, J., et al. (2002). Quality of life of women with recurrent breast cancer and their family members. Journal of Clinical Oncology, 20, 4050-4064.
  • Roth S, Cohen LJ (1986). Approach, avoidance, and coping with stress. American Psychologist, 41, 813-819.
  • Rothbaum F, Weisz JR, Snyder SS, 1982. Changing the world and changing the self : a two-process model of perceived control. Journal of Personality and Social Psychology, 42, 5-37.
  • Ten Haven, H. A. M. J., Ter Meulen R. H. J., & Van Leeuwen E. (1998). Medische ethiek.
  • Thoits, P.A., (1995). Stress, coping and social support process: Where are we? What next? Journal of Health and Social Behavior, 53-79.
  • Vandvik, I.H., & Eckblad, G. (1990). Relationship between pain, disease severity and psychosocial function in patients with juvenile chronic arthritis. Scandinavian Journal of Rheumatology, 19 (4), 295-302.
  • Veldhuizen, A.M.H. van, & Last, B.F. (1988). Communicatie met het kind met kanker. De Wet van de Dubbele Bescherming. Universiteit van Amsterdam: Proefschrift.
  • Wallander, J.L., Varni, J.W., Babani, L., Banis, H.T., & Thompson Wilcox, K. (1988). Children with chronic physical disorders: maternal reports of their psychological adjustment. Journal of Pediatric Psychology, 13 (2), 197-212.

Please be aware that the free essay that you were just reading was not written by us. This essay, and all of the others available to view on the website, were provided to us by students in exchange for services that we offer. This relationship helps our students to get an even better deal while also contributing to the biggest free essay resource in the UK!