Journal of Autism and Childhood Schizophrenia

Welke invloed heeft de theory of mind op spelontwikkeling?

"Juf Julie kwam een keer aan een tafeltje naast me zitten en legde een buisje Smarties op het tafeltje en zei: 'Christopher, wat denk je dat hier in zit?' En ik zei: 'Smarties.' Toen haalde ze de dop van het buisje en hield het ondersteboven en er kwam een rood potloodje uit en ze lachte en ik zei: 'Het zijn geen Smarties, het is een potlood.' Toen stopte ze het rode potloodje terug in het Smariets-buisje en deed de dop er weer op. Toen zei ze: 'Als je mammie nu binnenkwam en we vroegen haar wat er in het Smaries-buisje zat, wat denk je dan dat ze dan zou zeggen? En ik zei: 'Een potlood.'" (Haddon, 2003, p. 115)

Christopher houdt niet van de kleuren geel en bruin, heeft er een hekel aan als mensen hem aanraken, gebruikt nooit metaforen, vind grapjes vaak verwarrend, maar is wel erg goed in wiskunde. En hij snapt niet dat zijn moeder niet weet dat er een potlood in het Smaries-buisje zit. Christopher heeft een vorm van autisme.

Autisme is een ernstige ontwikkelingsstoornis die voorkomt bij ongeveer 4 op de 10.000 kinderen en die behoort tot het autismespectrum. In Nederland zijn er momenteel ongeveer 190.000 mensen met een vorm van autisme. Hieronder vallen ook het syndroom van Asperger en PDD-NOS. Het syndroom van Asperger is een mildere vorm van autisme, PDD-NOS staat voor Pervasive Developmental Disorder Not Otherwise Specified. Dit is een restgroep voor mensen met een vorm van autisme die niet onder het klassiek autisme of onder het syndroom van Asperger vallen. De DSM spreekt van autisme als er wordt voldaan aan de volgende kenmerken: "kwalitatieve tekortkomingen in sociale wisselwerking, kwalitatieve tekortkomingen in communicatie en opvallend beperkte en stereotype gedragspatronen, interesses en gedragingen" (American Psychiatric Association, 1995). Onder sociale tekortkomingen vallen dingen zoals het erg in zichzelf gekeerd zijn, geen behoefte hebben aan contacten met andere mensen en het niet in staat zijn om zich in te leven in andere mensen. Communicatieproblemen uiten zich door het soms totaal afwezig zijn van het spraakvermogen en problemen met non-verbale communicatie in bijvoorbeeld oogcontact, houding en gezichtsuitdrukkingen. Stereotype gedrag kan zich uiten in een intensieve belangstelling in een abnormale richting, motorische gedragingen zoals fladderen, of het sterk vastzitten aan niet functionele routines, bijvoorbeeld het zinloos tellen van rode auto's. Mensen met autisme hebben moeite om de wereld om zich heen te begrijpen. Alles wat ze horen nemen ze letterlijk en dit bemoeilijkt sociale contacten enorm. Grapjes met woordspelingen snappen ze bijvoorbeeld niet. Een ander opvallend punt is de behoefte aan orde en regelmaat. Mensen met autisme weten het liefst precies wat er op een dag gaat gebeuren en hebben een hekel aan verassingen of aan bijvoorbeeld een plotselinge verandering van de inrichting van de woonkamer.

Een veel gehoord begrip in combinatie met autisme is 'theory of mind'. Premack en Woodruff introduceerden deze term in 1978 in hun artikel over de vraag of chimpansees enig idee hebben van de gedachten en gevoelens van mensen. Een theory of mind kan dan ook beschreven worden als een mechanisme om je in te kunnen leven in anderen en je een beeld te kunnen vormen van zijn of haar perspectief. Dankzij een theory of mind weet je dat andere mensen dingen weten, dat ze ideen hebben over bepaalde zaken, anders tegen dingen kunnen aankijken en in feite hun eigen 'mentale wereld' hebben. Hiermee hangt samen het kunnen vormen van een mentaal beeld buiten de werkelijkheid om, het zogenaamde 'doen alsof'. Het eerdergenoemde voorbeeld van Christopher is een illustratie van het ontbreken van dit begrip. Hij begrijpt niet dat zijn moeder een eigen geest heeft en dingen anders waarneemt dan dat Christopher dat doet. Dit voorbeeld laat zien dat hij niet begrijpt dat zijn moeder niet gezien heeft dat er een potlood in het Smaries-buisje zit, waardoor haar antwoord dus nog steeds 'Smarties' zal zijn.

Gewoonlijk ontwikkelen kinderen een theory of mind als ze tussen de 3 en de 5 jaar oud zijn. Een nu bekende studie van Wimmer en Perner (1983) laat zien dat dit bij kinderen tussen 3 en 4 jaar oud vaak nog niet aanwezig is. In dit experiment werd Maxi gentroduceerd die een object verstopte op plek X. Vervolgens verliet Maxi de ruimte en werd het object in het bijzijn van het kind van plek X naar plek Y verplaatst. Op de vraag waar Maxi bij terugkomst zou gaan zoeken gaf geen van de 3 tot 4 jarigen het goede antwoord, terwijl kinderen van 6 tot 9 jaar in 86 procent van de gevallen wel de goede plek aanwezen. Dit laat een enorm verschil zien in het begrijpen van het perspectief van andere mensen en in dit geval van het begrip dat Maxi niet weet dat zijn ding verplaatst is. Er is heel veel onderzoek naar dit onderwerp gedaan en de meeste studies laten hetzelfde beeld van ontwikkeling zien (Wellman, Cross & Watson, 2001). Later is er een onderzoek gedaan met het model van Wimmer en Perner, maar nu om de vergelijking te maken tussen normaal ontwikkelde kinderen en autistische kinderen. Waar normaal ontwikkelde kinderen met een leeftijd van 3,5 tot 6,5 jaar oud in 85 procent van de gevallen het goede antwoord gaven op de vraag waar Maxi zou gaan zoeken, geven kinderen met autisme met een leeftijd tussen de 6 en 16 jaar oud in 80 procent van de gevallen het verkeerde antwoord. (Baron-Cohen, Leslie & Frith, 1985). Hieruit blijkt dus dat autistische kinderen niet het besef hebben dat de informatie die zij hebben anders is dan de informatie die Maxi heeft, wat wijst op een afwezigheid van een theory of mind.

Veel autistische mensen kampen zoals gezegd met sociale problemen. Deze problemen kunnen deels verklaard worden door een verminderde theory of mind. Door de afwezigheid of verminderde aanwezigheid hiervan hebben autistische mensen moeite om zich te verplaatsen in anderen. Een probleem wat bij autistische kinderen vaak naar voren komt is het spelen met andere kinderen. Omdat jonge kinderen veel van hun tijd besteden aan spelen, verwacht ik dat er in het spelgedrag van normaal ontwikkelde kinderen en kinderen met autisme een groot verschil zal zitten. Spelen gaat vaak gepaard met sociale interactie met andere kinderen. Doordat autistische kinderen hier moeite mee hebben zullen zij op een andere manier met kinderen samen spelen. Omdat een theory of mind ook betrekking heeft op het inbeeldingsvermogen van iemand, zullen autistische kinderen weinig verbeelding gebruiken in hun spelletjes. Jonge kinderen kunnen bellen met een banaan, zolang zij zich inbeelden dat het daadwerkelijk een telefoon is. Dit zal waarschijnlijk niet op autistische kinderen van toepassing zijn.

In het volgende stuk wil ik kijken wat de normale spelontwikkeling van kinderen is. Vervolgens wil ik de spelontwikkeling van autistische kinderen bekijken en hier een vergelijking tussen maken. Voornamelijk richt ik mij dan op de aspecten die samenhangen met een theory of mind, omdat mijn verwachting is dat een groot aantal verschillen hier mee te maken hebben. Heel concreet wordt mijn vraagstelling dan: Wat zijn de verschillen van de ontwikkeling van spel tussen autistische en normaal ontwikkelde kinderen en welke invloed heeft de theory of mind hierop?

Het leven van jonge kinderen staat in het teken van spelen. Spelen is voor hen een manier om allerhande vaardigheden aan te leren die nodig zijn om te kunnen overleven. Zo bevorderd het spelen met een bal de motoriek en is het behalen van de top van het klimrek goed voor het zelfvertrouwen van een kind. Door samen te spelen met andere kinderen leren ze op hun beurt wachten en anderen helpen. Hierdoor is spel ontzettend belangrijk voor de ontwikkeling van kinderen, doordat er zo veel belangrijke vaardigheden spelenderwijs aangeleerd worden (Gray, 2007). Similansky (1968, zoals beschreven in Papilia, Olds & Feldman, 2009) onderscheid vier verschillende spel categorien: functioneel spel, constructief spel, fantasie spel en formeel spel met regels. De eerste categorie, functioneel spel, houdt in dat kinderen objecten gaan gebruiken om herhaaldelijk bewegingen te oefenen, zoals het gooien met een bal of het heen en weer rijden met een speelgoedauto. Dit is goed voor de motoriekontwikkeling. Bij constructief spel worden dingen gebruikt om iets te maken. Alle soorten knutselwerkjes vallen hier onder, maar bijvoorbeeld ook het bouwen van een toren of het maken van een zandkasteel. Bij fantasiespel gaat het niet meer om objecten, maar om rollen en verbeelding. Alle soorten van 'doen alsof' spelletjes horen hier bij. Kinderen spelen doktertje, of zien in een kartonnen doos een waar kasteel. Deze drie categorien komen vaak tegelijkertijd naar voren bij jonge kinderen. Tot de vierde categorie behoren spelletjes zoals hinkelen, tikkertje en verstoppertje. Dit volgt vaak op de fantasiespellen bij wat oudere basisschoolkinderen (Bjorklund & Pellegrini, 2002, zoals beschreven in Papilia, Olds & Feldman, 2009).

De leeftijd waarop kinderen veel fantasiespelletjes, spelen ligt rond het begin van de basisschool. In het Engels wordt dit aangeduid met de term 'pretend play', wat feitelijk 'doen alsof spelletjes' betekend. Om dit soort spelletjes te kunnen spelen is een zekere mate van abstract denken nodig. Een kind moet zich in kunnen leven in een rol, of 'zogenaamde' eigenschappen toe kunnen schrijven aan objecten die deze eigenlijk niet hebben. Voor sommige kinderen is een bed gewoon een bed, voor andere kinderen kan het een piratenschip op volle zee zijn. Dit soort fantasiespelletjes dragen enorm bij aan de ontwikkeling van deze inbeeldingvaardigheden. De aanwezigheid van een theory of mind hangt hier nauw mee samen, die zich rond deze leeftijd ontwikkeld. Hierdoor laten kinderen vanaf de kleuterklas meer 'pretend play' zien. Rond deze leeftijd wordt de manier van spelen ook socialer. Doordat ze een beter inlevingsvermogen krijgen gaan ze vanaf deze leeftijd meer met elkaar spelen in plaats van naast elkaar, waardoor ze andere mensen beter gaan begrijpen (Parten, 1932; Bjorklund & Pellegrini, 2002, zoals beschreven in Papilia, Olds & Feldman, 2009).

Het spel van kinderen met autisme is zichtbaar anders. Kinderen met autisme laten veel minder van dit fantasiespel zien. Waar andere kinderen met auto's spelen en er bijvoorbeeld mee gaan racen, zijn autistische kinderen meer bezig om al hun auto's netjes op een rij te zetten of ze op kleur te sorteren. Vaak zijn autistische kinderen ook niet eens genteresseerd in het feit dat het een auto is, maar kunnen ze wel een half uur bezig zijn met het laten draaien van de wielen en kunnen ze hier vol fascinatie naar kijken. Uit een studie van Sharon Behl Wulff (1985) komt dit verschil duidelijk naar voren. Ze heeft verschillende onderzoeken naar het spelgedrag van autistische kinderen vergeleken, waaruit ze ondanks de verschillen in de afzonderlijke onderzoeken een aantal algemene conclusies heeft kunnen trekken. Als eerste komt naar voren dat het spel van autistische kinderen niet alleen compleet anders is dan dat van normale kinderen, maar dat er ook een duidelijk verschil is tussen autistische kinderen en bijvoorbeeld kinderen met het syndroom van Down of kinderen met een andere verstandelijke handicap wat kan wijzen op het verschil van theory of mind. Een onderzoek van Wing, Gould, Yeates en Brierley (1977) laat dit verschil zien. In een studie van 108 kinderen werd gekeken naar het type spel dat zij lieten zien. In deze groep waren 61 kinderen met autisme en geen van deze kinderen speelde tijdens de studie fantasiespelletjes. Daartegenover was er ook een groep met verstandelijk gehandicapte kinderen waar maar liefst 87 procent van de kinderen fantasiespellen speelde. Een tweede punt wat duidelijk wordt is dat het inbeeldingsvermogen en 'pretend play' bij autistische kinderen opvallend anders is. Speelgoed wordt bijvoorbeeld niet gebruikt zoals het normaal bedoeld zou zijn. Vaak richten autistische kinderen zich maar op n enkel voorwerp, waar ze vervolgens mee gaan slaan, herhaaldelijk gedrag mee vertonen of proberen het in hun mond te stoppen (Triton en Ottinger, 1964). Speelgoed wat geschikter is voor kinderen met autisme is bijvoorbeeld een knikkerbaan of lego. Hiervoor hebben ze geen verbeelding nodig en kunnen ze aan de hand van een bouwtekening heel gestructureerd mee werken.

Verder blijkt dat kinderen met autisme minder vaak met anderen samen spelen. Door hun beperkte sociale vaardigheden vinden ze het prettiger om alleen te spelen. Andere mensen zijn immers onvoorspelbaar en autistische kinderen begrijpen ze vaak niet. In een omgeving met meerdere kinderen en speelgoed, hebben kinderen met autisme vaak de voorkeur om met een voorwerp te spelen. Spelen is in dit geval zoals bovengenoemd niet zoals het object bedoeld zou zijn, maar vaak in herhaaldelijke bewegingen of op een negatieve manier. In een ruimte zonder andere objecten en alleen de aanwezigheid van andere autistische kinderen was er wel meer contact tussen de kinderen, maar vaak waren de kinderen meer met zichzelf bezig en uitten ze herhaaldelijk stereotype gedrag. Het contact wat er wel was bestond vaak uit imitatie, of zelfs uit negatief en agressief gedrag. (Black, Freeman & Montgomery, 1975). Sociaal fantasiespel kan wel aangeleerd worden, maar vaak is dit een imitatie van wat kinderen aangeleerd hebben of gezien hebben bij andere kinderen. Ze bevatten dan nog steeds niet dat de werkelijkheid wat anders is dan datgene wat ze in het spel doen, waardoor het moeilijk is voor autistische kinderen om het uit zichzelf te laten komen. In dat geval is sociaal spel weinig creatief, en is het alleen het nadoen van wat ze andere kinderen zien doen.

Al deze resultaten lijken te wijzen op een specifiek verschil tussen autistische kinderen en normaal ontwikkelde kinderen. De eerdergenoemde verschillen zouden allemaal verklaard kunnen worden door de afwezigheid van een theory of mind bij autistische kinderen. Doordat dit invloed heeft op de verbeelding en het inlevingsvermogen gebruiken autistische kinderen speelgoed anders dan normaal ontwikkelde kinderen. Ze gebruiken geen verbeelding om er mee te spelen, maar gebruiken het vaak voor functionele dingen zoals tellen, sorteren of om specifieke bewegingen mee te maken. Normale kinderen gebruiken bijvoorbeeld een speelgoedtractor om mee rond te rijden alsof het een echte tractor is en maken hier vaak zelf het denkbeeldige geluid van de motor bij. Autistische kinderen hebben deze inbeelding dus niet, waardoor ze een dergelijke tractor zullen gebruiken om tegen de muur te bonken, of hem op kop te zetten en dan de wielen te laten draaien.

Ook in de interactie met andere kinderen zit een duidelijk verschil. Waar andere kinderen vaak samen spelen en spelletjes doen, spelen kinderen met autisme voornamelijk alleen. Ook dit kan verklaard worden door de afwezigheid van een theory of mind. Door het beperkte inlevingsvermogen begrijpen autistische kinderen het gedrag van normaal ontwikkelde kinderen niet. Hierdoor zijn ze voor autistische kinderen onvoorspelbaar en dat is iets waar deze kinderen niet goed tegen kunnen. Tevens is het zo dat andere kinderen vanaf een leeftijd van ongeveer 3 jaar oud steeds meer fantasiespelletjes of 'pretend play' laten zien. Dit is dus iets waar autistische kinderen niet aan mee doen, ze begrijpen het niet. Autistische kinderen vermaken zich daarom ook veelal alleen, vaak ook zonder het gebruik van speelgoed of voorwerpen. Ze vertonen dan zelfgericht gedrag en gaan bijvoorbeeld fladderen of heen en weer wiegen (Behl Wulff, 1985).

Er zijn echter twee kritiekpunten die ik wil noemen. Een grote moeilijkheid met onderzoek naar autistische kinderen is dat niet al deze kinderen op 1 hoop gegooid kunnen worden. Doordat autisme een spectrumstoornis is zijn er verschillende gradaties waarop iemand te maken kan hebben met deze stoornis en is er niet 1 stereotypepersoon met autisme. Autistische kinderen kunnen enorm verschillen in hun chronologische leeftijd tegenover hun mentale leeftijd. Baron-Cohen et al. (1985) maakten in hun onderzoek zelfs gebruik van 3 soorten leeftijden: de chronologische leeftijd, de nonverbale mentale leeftijd en de verbale mentale leeftijd. Autistische kinderen in deze groep hadden een leeftijd tussen de 6 en 16 jaar, waarbij hun nonverbale mentale leeftijd lag tussen de 5 en de 15, terwijl hun verbale mentale leeftijd lag tussen 2 en de 7 jaar oud. Dit laat onderling een groot verschil zien, maar ook in vergelijking met normaal ontwikkelde kinderen is dit een enorm verschil. Hierdoor is het lastig om autistische kinderen te vergelijken met normaal ontwikkelde kinderen. Er moet goed gekeken worden naar welke leeftijd functioneel is om te vergelijken in onderzoek.

Een ander punt is dat taal ook een grote invloed op het spelgedrag van kinderen lijkt te hebben. Taal is een heikel punt voor mensen met autisme. Veel autistische kinderen praten zelf niet, maar er zit ook een groot verschil in het taalbegrip wat deze kinderen kunnen hebben. Dit kan nog een extra moeilijkheid zijn in onderzoek, doordat autistische kinderen hierdoor moeilijk getest kunnen worden, maar belangrijker is dat taal ook een eigen invloed op het spelgedrag lijkt te hebben. Zodra het taalgevoel van kinderen beter ontwikkeld is, lijkt dit samen te hangen met een betere ontwikkeling van het spelgedrag. Ungerer en Sigman (1981) deden een onderzoek naar spelgedrag van autistische kinderen waarbij ze deze verdeelden over twee groepen. n groep kinderen had een goed taalbegrip, tegenover een groep kinderen met slecht taalbegrip. Hieruit kwam een duidelijk verschil naar voren in de mate waarin de kinderen 'pretend play' lieten zien. Hoewel de hoeveelheid nog steeds beduidend minder was dan bij normaal ontwikkelde kinderen, lieten kinderen met een goed taalbegrip meer 'pretend play' zien dan kinderen in de groep met een laag taalbegrip. Hier zat het verschil dus niet in de aanwezigheid of afwezigheid van een theory of mind, maar in de verschillende niveaus van taalontwikkeling. Er is zelfs het idee dat de mate waarin kinderen 'pretend play' laten zien een betere voorspeller is van de latere taalontwikkeling dan IQ scores. (Reuter, 1978, zoals beschreven in Behl Wulff, 1985).

Concluderend kan ik zeggen dat er overduidelijke verschillen zijn tussen het spel van autistische kinderen en normaal ontwikkelde kinderen. Doordat kinderen met een andere stoornis, zoals het syndroom van down, deze kenmerken niet laten zien kun je zeggen dat de gevonden verschillen typisch zijn voor kinderen met autisme. De gevonden verschillen hebben voornamelijk betrekking op fantasiespel en het spelen met speelgoed waarvoor in beide gevallen inlevingsvermogen vereist is. In het sociale gedrag valt op dat autistische kinderen het verkiezen om alleen te spelen. Beide punten wijzen op een invloed van een theory of mind, die bij autistische kinderen verminderd aanwezig is. Overigens is uit onderzoek gebleken dat er ook een sterke samenhang tussen taalontwikkeling en spelontwikkeling is. In welke mate dit al dan niet te maken heeft met het ontbreken van een theory of mind is mij niet geheel duidelijk, hier zou meer onderzoek naar gedaan kunnen worden. Hierbij zou de mate van taalontwikkeling vergeleken moeten worden met de mate van aanwezigheid van een theory of mind. Daaruit kan blijken of een betere taalontwikkeling samenhang heeft met de mate van een theory of mind.

  • American Psychiatric Association (1995) Diagnostic and statistical manual of mental disorders. Washington DC: American Psychiatric Association.
  • Baron-Cohen, S., Leslie, A. M. & Frith, U. (1985). Does the autistic child have a 'theory of mind'? Cognition, 21, 37-46.
  • Black,M., B. J. Freeman, B.J. & Montgomery, J., (1975) Systematic observation of play behavior in autistic children. Journal of Autism and Childhood Schizophrenia, 5(4), 363-371.
  • Gray, P. (2007). Psychology. New York, NY: Worth publishers.
  • Haddon, M. (2003). Het wonderbaarlijke voorval met de hond in de nacht. (H. Pallemans, Trans.). Baarn: De Fontein. (oorspronkelijk werk gepubliceerd in 2003)
  • Papalia, D.E., Olds, S.W. & Feldman, R.D. (2009). Human Development. New York, NY: McGraw-Hill.
  • Parten, M. B.(1933). Social play among preschool children. The Journal of Abnormal and Social Psychology, 28(2), 136-147.
  • Premack, D. & Woodruff, G. (1978). Does the chimpanzee have a 'theory of mind'? Behavioral and brain science, 4, 515-526.
  • Triton, J. & Ottinger, D. (1964). Comparison of the toy play behavior of autistic, retarded, and normal children. Psychological Reports, 15, 967-975.
  • Ungerer, J.A. & Sigman, M. (1981). Symbolic play and language comprehension in autistic children. Journal of the American Academy of Child Psychiatry, 20, 318-337.
  • Wellman, H.M., Cross, D. & Watson, J. (2001). Meta-analysis of theory-of-mind developmet: The truth about false belief. Child development, 72(3), 655-684.
  • Wimmer, H. & Perner, J. (1983). Beliefs about beliefs: representation an constraining function of wrong beliefs in young children's understanding of deception. Cognition, 13, 103-128.
  • Wing, L., Gould, J., Yeates, S., & Brierley, L. (1977). Symbolic play in severely mentally retarded and in autistic children. Journal of Child Psychology and Psychiatry, 18, 167-178.
  • Wulff, S. B. (1985). The symbolic and object play of children with autism: A review. Journal of Autism and Developmental Disorders, 15, 139-148.

Please be aware that the free essay that you were just reading was not written by us. This essay, and all of the others available to view on the website, were provided to us by students in exchange for services that we offer. This relationship helps our students to get an even better deal while also contributing to the biggest free essay resource in the UK!