Natuur en Landschapsbeleid in Nederland

Inleiding

Natuur en Landschapsbeleid in Nederland.

Natuurbeleid

De kern van het natuurbeleid is meer natuur en in stand houding van de natuur. De natuur is het leefgebied van 40.000 soorten dieren en planten. Om er voor te zorgen dat de natuur beschermd wordt zorgt het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) ervoor de natuur beschermd word door wetgeving en dat het goed wordt onderhouden en dat er nieuwe natuur wordt aangelegd.

Een goede kwaliteit van de natuur wordt alleen bereikt als iedereen een bijdrage levert. Daarom geeft het ministerie van het LNV samen met de provincies geld, advies en ruimte aan mensen en bedrijven die zich actief in zetten voor natuur en landschap. Dit geld is bedoeld voor mensen die in bezit zijn van grond en hier natuur van willen maken, of voor mensen die de natuur goed beheren. Maar ook voor projectontwikkelaars die investeren in de aanwezige natuur.

Mensen hebben zelf ook invloed op de kwaliteit van de natuur. Door recreatiegebieden schoon te houden, door natuurvriendelijke inkopen te doen of door natuurorganisaties te ondersteunen.
Nederlandse natuur in vroeger eeuwen

Tot pakweg 1800 bestond Nederland grotendeels uit wildernis. Woeste, onontgonnen gebieden noemde men 'onland', letterlijk: geen land. De natuur was niet iets waar je zou kunnen genieten. Dankzij wilde dieren en verraderlijke moerassen.

In de 19e eeuw verdween de meeste wildernis. Boeren en grondeigenaren bewerkten het land. Toen de tijd was natuur beheer vooral een privézaak de overheid had er weinig mee van doen.

Vanaf 1900 deed een nieuw verschijnsel zijn intrede: ruilverkaveling. Dit was noodzakelijk geworden omdat door aankoop, verkoop en overerving de boeren grond steeds meer versnipperd raakten. De ruilverkavelingen had dramatische gevolgen voor het landschap: eeuwenoude voetpaden en natuurlijke elementen als beekjes en houtwallen gingen op de schop.

Vanaf 1950 werd duidelijk dat industrialiseren en grootschalige huizenbouw hun tol begonnen te eisen: 70 plantensoorten waren uigestorven en nog eens 500 bedreigd. De natuurgebieden gingen in hun kwaliteit en kwantiteit achteruit door milieuvervuiling.

De ideale natuur: oernatuur of pastorale landschap?

Voor het eerst werd in de jaren 60 natuurbeheer een politieke kwestie. Duidelijk was dat er iets moest gebeuren. De een denkt aan een dicht eikenbos, anderen aan mooie bloemenvelden of een kronkelende beek en weer anderen aan ruige duingebieden.

De discussies van wetenschappers zijn soms moeilijk te volgen, omdat ze veel kennis van biologie en ecosystemen hebben. De belangrijkste ideaalbeelden volgens de wetenschappers zijn de oernatuur en het pastorale landschap.

Met oernatuur wordt bedoelt dat in de natuur geen enkel spoor van de mensheid is te zien. Net zoals de natuur er duizenden jaren geleden er uit zou hebben gezien. Het is een spectaculaire natuur van ondoordringbare wouden, wilde dieren en ruige landschappen.

Het pastorale landschap is een landschap met een volmaakte harmonie tussen natuur en cultuur. Menselijke sporen zijn alleen zichtbaar in de vorm van voetpaden, dijken, akkers, eenvoudige boerderijen en hun levende have zoals koeien. Voor het pastorale landschap moeten we teruggaan naar Nederland 1850, voor de introductie van grootschalige industrialisering. De natuur uit deze tijd wordt beschouwd als de mooiste uit de Nederlandse geschiedenis.

Natuurbeschermingswet

Dit was de theorie we gaan nu over naar de praktijk, Deze praktijk valt behoorlijk tegen in Nederland. Nederland bestond ooit grotendeels uit moerassen, maar niemand zal deze levensgevaarlijke oernatuur graag terug willen. Na 1850 heeft de grootschalige industrialisering en huizenbouw te in Nederland te ingrijpend veranderd om een terugkeer naar hat pastorale landschap mogelijk te maken.

Wie toch nog wat van de Nederlandse natuur wil redden, zal een stuk pragmatischer te werk moeten gaan. In 1968 deed de overheid een eerste stap door het invoeren van een natuurbeschermingswet. De wet maakte het mogelijk om bepaalde gebieden of diersoorten te beschermen.

Ook begon de overheid met het instellen van nationale parken. Er waren weliswaar al twee nationale parken, maar die waren particuliere initiatieven: Nationaal Park Veluwezoom en Nationaal Park de Hoge Veluwe.

2.1.2 Natuurbeschermingswet en Natura 2000

Natuur beheerplan Overijssel

In 1967 is in Nederland de eerste Natuurbeschermingswet in werking getreden. Deze wet maakte het mogelijk om natuurgebieden en soorten te beschermen. In 1998 is de

Natuurbeschermingswet gewijzigd en sindsdien alleen gericht op gebiedsbescherming. De eerdere wet voldeed niet meer aan de internationale verdragen en Europese verordeningen stellen. De Natuurbeschermingswet 1998 is op 1 oktober 2005 opnieuw gewijzigd. Sindsdien zijn de bepalingen vanuit de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn in de Natuurbeschermingswet verwerkt.

Op grond van de Natuurbeschermingswet worden drie typen gebieden aangewezen:

1. Natura 2000-gebieden (Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden)

2. Beschermde Natuurmonumenten en

3. Wetlands volgens het verdrag van Ramsar

Ecologische Hoofdstructuur (EHS)

Toch is het niet voldoende om afzonderlijke natuurgebieden te beschermen. Dieren kunnen niet van het ene gebied naar het andere. Dat heeft uiteindelijk tot gevolg dat de soortenrijkdom afneemt.

In 1990 presenteerde het ministerie van LNV zijn Natuurbeleidsplan. Kern van het plan was het opzetten van een Ecologische Hoofdstructuur (EHS), zeg maar een lint van natuurgebieden in Nederland. De bedoeling was om zo'n 50.000 ha grond op te kopen, er nieuwe natuur van te maken en hiermee de bestaande natuurgebieden aaneen te rijgen.

Zo zou in 30 jaar tijd een samenhangend natuurnetwerk ontstaan, dat het voortbestaan van de belangrijkste ecosystemen garandeert en bovendien zorgt voor een grotere rijkdom en variatie aan planten en dieren.

De EHS in de praktijk

De Ecologische Hoofdstructuur is in de praktijk een moeizaam proces, waarin alle resultaten stapje voor stapje worden behaald. Het belangrijkste middel om nieuwe natuurgebieden te maken is grond te kopen van boeren. Daarna moet het stuk land helemaal op de schop, want natuur komt er niet vanzelf en bovendien zit er vaak nog veel mest in de bodem.

Boeren staan hun grond lang niet altijd vrijwillig af. Vaak komt er een moeizame onteigeningsprocedure aan te pas. Organisaties als Natuurmonumenten kopen daarom ook gronden buiten de Ecologische Hoofdstructuur in. Die kunnen ze dan ruilen met die van de boer. Dit scheelt veel bureaucratische rompslomp; niet zelden gaat de boer er zelfs op vooruit.

Hoewel er na 1990 al duizenden hectaren grond zijn verworven, ligt de ontwikkeling van de EHS achter op schema. Een groot deel is al gerealiseerd, maar het lijkt erop dat de EHS niet binnen de geplande 30 jaar tot stand zal komen.

Agrarisch natuurbeheer

Naast het aankopen en ruilen van grond is er nog een andere manier om nieuwe natuur te ontwikkelen. Sommige boeren bieden zelf aan om een deel van hun grond om te vormen naar natuurgebied. Dit noemt men 'agrarisch natuurbeheer', of ook wel 'particulier natuurbeheer'.

Agrarisch natuurbeheer heeft verschillende voordelen. Voor boeren is natuurbeheer een aardige bijverdienste, want ze krijgen daarvoor subsidie van de overheid. De lokale bevolking is blij, want nieuwe natuur trekt recreanten. En de overheid is blij, want agrarisch natuurbeheer leidt tot nieuwe natuur zonder dat er moeizame onteigeningsprocedures aan te pas komen.

Er is ook een belangrijk nadeel. De percelen waarop boeren hun eigen nieuwe natuur ontwikkelen sluiten lang niet altijd aan bij de geplande Ecologische Hoofdstructuur. De EHS is bedoeld om versnippering van de Nederlandse natuur tegen te gaan, maar agrarisch natuurbeheer kan die versnippering in sommige gevallen juist in de hand werken.

Het zal duidelijk zijn dat agrarisch natuurbeheer vanwege deze plussen en minnen fervente voor- én tegenstanders heeft. Het laatste woord is er nog niet over gezegd.

Natura 2000

Natura 2000 is een samen hangend netwerk van natuurgebieden in de EU. De gebieden worden beschermd met behulp van de Europese Vogelrichtlijn (1979) en Habitatrichtlijnen (1992). Natura 2000 maakt deel uit van de EHS hierdoor is er planologisch een goede relatie tussen de EHS en Nataura 2000. Binnen in de Natura 2000 worden 30 habitattypen onderscheiden, 44 soorten broedvogels, 47 soorten van andere diergroepen en 5 planten soorten in Nederland beschermd.

In Nederland beslaan de Natura 2000 gebieden ongeveer 1 miljoen hectare waarvan 2 derde open water, inclusief de kustwateren. De natuurtypen zoals stuifzanden, moerassen en heide zijn relatief veel opgenomen in Nederland. Deze natuurtypen hebben allemaal een grote internationale waarde. Bossen hebben in tegenstelling van de voorgaande natuurtypen een relatief lage internationale waarde. In totaal gaat het om in totaal 162 gebieden inmiddels zijn er 148 voor definitieve aanwijzing in procedure gebracht. Het is de bedoeling dat er voor

Habitatrichtlijnen
Vogelrichtlijnen

3.1.1 Habitats

De habitattypologie vanuit de EU heeft een wisselend abstractieniveau (van kleine ecotopen tot grote landschappen), terwijl de mate van natuurlijkheid hooguit impliciet is meegenomen. Hierdoor, en door het feit dat de natuurdoeltypen specifiek zijn toegesneden op Nederland, is de onderlinge vertaling van habitattypen HR en natuurdoeltypen EHS niet eenvoudig maar wel hanteerbaar.

De Provincies staan voor de natuurdoeltypen momenteel aan de lat om de feitelijke ambities in kaart te brengen op basis van hun gegevens en hun keuzen (AVP; LNV, 2004). Gezien de koppeling tussen natuurdoeltypen en milieu en ruimte, hebben de Provincies met het op de kaart zetten van de natuurdoeltypen indirect al een eerste aanzet hiertoe gegeven. Provincies kunnen echter nog in belangrijke mate kiezen op welke schaalniveau zij de natuurdoeltypen en dus afgeleide ambities in milieu en ruimte ‘beschrijven'. Ook binnen de (overigens nog niet vastgestelde) landelijke Natuurdoelenkaart zit die keuzemogelijkheid. In de aangegeven gebieden op de kaart komen immers vaak meerdere natuurdoelen voor (op de kaart staat alleen het doel met de grootste oppervlakte). Daarnaast bevatten veel natuurdoelen vaak verschillende natuurdoeltypen (Bal et al., 2001). De EU-afspraken voor de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden zijn duidelijker geformuleerd en daarmee is ook het ambitieniveau voor de benodigde milieu- en ruimtecondities scherper (Lammers et al, 2005).

Voor de aanwijzing van de Natura 2000-gebieden, die hoofdzakelijk binnen de Netto-EHS liggen (Lammers, 2003), is door het beleid geen gebruik gemaakt van de natuurdoeltypensystematiek of bijbehorende kaarten. Deels was dit wellicht ook niet mogelijkomdat de Habitatrichtlijn voornamelijk focust op behoud van actuele waarden en minder kijkt

Natuurdoelenkaart en de VHR in ieder geval niet precies gelijk zijn:

• Veel van de gebieden aangemeld voor de Vogelrichtlijn (vooral de wateren) hebben een multifunctioneel (neven)gebruik volgens de Natuurdoelenkaart. Niet elk multifunctioneel gebruik zal echter te rijmen zijn met de Vogelrichtlijn-doelstelling;

• In veel van de grotere gebieden aangemeld voor de Habitatrichtlijn (zoals duingebieden,delen van de Veluwe) wordt volgens de doelenkaart een begeleid-natuurlijke beheersstrategie nagestreefd. Dit betekent dat primair gestuurd zal worden op het laten verlopen van natuurlijke processen, om daarmee condities te creëren die nodig zijn voor voortbestaan van de biodiversiteit. In die gebieden mogen de aangemelde habitattypen en soorten echter niet afnemen (in termen van oppervlakte, kwaliteit en/of populatiegrootte).

Begeleidnatuurlijk beheer dat alleen aangrijpt op processen houdt, zeker op korte termijn bij de huidige milieudruk en een versnipperd leefgebied, risico's in voor het realiseren van die Europese doelstelling. Dit ondanks het feit dat in deze grotere gebieden de meeste kansen bestaan voor het realiseren van de doelstelling;

• Voor een aantal habitattypen zoals beschermd in de Habitatrichtlijn is de landelijke areaaltaakstelling van overeenkomende bijzondere natuurdoelen met (SGR2) minder dan de arealen die Nederland heeft aangemeld voor de richtlijn. De rest van de oppervlakte zal waarschijnlijk met begeleid-natuurlijk beheer worden nagestreefd. Het gaat dan met name om de natuurdoelen ‘natte heide en hoogveen' aanmelding = 110% van landelijke taakstelling uit SGR2), ‘droog schraalgrasland' (aanmelding = 150% van de landelijke taakstelling) en ‘ven en duinplas' (aanmelding = 900% van de landelijke taakstelling).

Beleidsdoelen

er is geen beleidsmatige koppeling tussen deze en de natuurdoelen van de EHS. Wel geven de onder de natuurdoelen liggende natuurdoeltypen aan welk habitattype ze omvatten. Tevens zijn de VHR-soorten, met uitzondering van trekvogels, als doelsoorten in het beleid opgenomen (Bal et al., 2001). Echter, de natuurdoeltypen (en zeker de natuurdoelen) zijn veelal te breed gedefinieerd om sturend voor de habitattypen te zijn en de VHR-soorten vormen slechts een klein percentage van het totaal aantal doelsoorten.
De doelen van de VHR zijn niet te halen zonder aanvullend nationaal beleid.

Please be aware that the free essay that you were just reading was not written by us. This essay, and all of the others available to view on the website, were provided to us by students in exchange for services that we offer. This relationship helps our students to get an even better deal while also contributing to the biggest free essay resource in the UK!