Noodlanding in de woestijn afrika

Het verhaal begint wanneer de schrijver/verteller met zijn vliegtuig(je) een noodlanding moet maken in de woestijn in Afrika. Hij heeft maar voor een paar dagen drinkwater mee, en kan zijn vliegtuig niet repareren. De volgende ochtend hoort hij tot zijn verrassing een stemmetje dat hem vraagt om een schaap voor hem te tekenen. Hij heeft in zijn hele leven alleen nog maar een gesloten boa die een olifant heeft ingeslikt en de binnenkant van diezelfde boa getekend, dus hij wil dit verzoek aanvankelijk afslaan. Maar 'de kleine prins', aan wie het stemmetje blijkt te behoren, weet hem over te halen. En dus doet hij enkel pogingen om een schaap te tekenen, totdat de kleine prins tevreden is. Stukje bij beetje komt de verteller te weten waar de kleine prins vandaan komt en hoe hij daar in the middle of nowhere is terechtgekomen. Hij komt van een andere planeet, waar hij in zijn eentje woonde. De planeet is erg klei. Hij heeft alleen drie vulkanen die tot zijn knie komen: twee actieve, en n gedoofde (maar je weet maar nooit) die hij regelmatig veegt. Ook heeft hij een bloem die erg arrogant is en hem voor haar laat zwoegen, zonder ook maar een beetje dankbaarheid te tonen. Maar toch houdt het prinsje van deze bloem. Uiteindelijk besluit hij weg te gaan van zijn planeetje. Op de eerste asterode woont een koning, wiens hermelijnen mantel zijn toch al niet zo grote planeet geheel in beslag neemt. Hij is dolgelukkig met de komst van het kleine prinsje, want hij heeft verder geen onderdanen om over te heersen. Hij is een absoluut vorst, en alles en iedereen volgt zijn bevelen op, omdat die altijd redelijk zijn (als je moet niezen, beveelt hij je om te niezen). Toch wil het prinsje na een tijdje wel weg van die vreemde snuiter. De tweede planeet wordt bewoond door een ijdeltuit, die de prins aanziet als een bewonderaar. Deze wordt al gauw verveeld, en daarom gaat het prinsje verder met zijn reis. Op de derde planeet woont een dronkaard, die - volgens eigen zeggen - drinkt om te vergeten dat hij zich schaamt dat hij drinkt. Het kleine prinsje vindt de grote mensen toch wel heel wonderlijk. De volgende planeet is van een hele rijke zakenman, die alles bezit. Hij telt zo'n vijfhonderd miljoen sterren die allemaal van hem zijn. Daarmee is hij zo rijk dat hij weer nieuwe sterren kopen wanneer die gevonden zijn. Hij beweert dat alles wat nog niet van iemand is en waar jij dan als eerste aan denkt om te bezitten, van jou is.

De zakenman heeft het zo druk met tellen hoeveel sterren er zijn, dat hij geen tijd heeft om te praten. Op de vijfde planeet (de kleinste van allemaal) is alleen ruimte voor een straatlantaarn en een straatlantaarnopsteker. Die heeft het heel moeilijk omdat hij als het nacht wordt de lantaarn aan moet steken, en als het dag wordt hem weer moet doven. Maar aangezien zijn planeetje steeds sneller ging draaien, heeft nu geen minuutje rust meer, en is hij dag in, dag uit alleen maar bezig zijn lantaarn aan te steken of te doven.

De kleine prins vindt dat hij misschien wel dwaas is, maar zeker niet zo dwaas als de koning, de ijdeltuit, de dronkaard en de zakenman.

Want die zijn alleen maar met zichzelf bezig, en de lantaarnopsteker is trouw aan de opdracht die hem gegeven is. Op de zesde planeet, die wel tien keer zo groot is als de vijfde, treft hij een aardrijkskundige aan, die een dik boek aan het schrijven is. Hij weet echter niets van zijn planeet, omdat hij een tekort heeft aan ontdekkingsreizigers met wiens vondsten hij een kaart kan samenstellen (hijzelf is natuurlijk te belangrijk om op ontdekkingsreis te gaan). Hij vraagt het prinsje om zijn planeet te beschrijven, want die prins is een ontdekkingsreiziger. Het prinsje weigert echter.

Vervolgens komt hij terecht op de zevende, en tevens de laatste planeet, de Aarde. De Aarde is natuurlijk niet zomaar een planeet, maar het is gigantisch. Het telt namelijk "honderdenelf koningen, drie-honderd-elf miljoen ijdeltuiten, zeven en een half miljoen dronkaards, negenhonderdduizend zakenmensen en zevenduizend aardrijkskundigen."

Alles bij elkaar zo'n twee miljard grote mensen. Als de prins in een woestijn op de Aarde is beland, verbaast hij zich erover dat er nergens mensen zijn. Dan komt hij bij een plek vol rozen, die er allemaal precies zo uitzien als de bloem op zijn planeet, waar hij zo van hield. Dan ontmoet hij een vos die hem vraagt of hij hem wil temmen, zodat ze vrienden worden. Hij zegt de prins dat die verantwoordelijk is voor zijn bloem, omdat hij haar heeft verzorgd, en ze elkaar dus hebben 'getemd'. De prins voelt zich schuldig dat hij zijn bloem alleen heeft achtergelaten. De prins ontmoet ook een wisselwachter. Ze zijn het met elkaar eens: grote mensen weten niet meer wat ze zoeken, alleen kinderen weten dat.

Intussen zijn er al acht dagen verstreken sinds de verteller neerstortte, en zijn water is op. De prins stelt hem voor om z'n tween een put te gaan zoeken, en hoewel hij dat een stom plan vindt, gaat de verteller toch mee. Ze vinden ook een put, een kunnen eindelijk hun dorst lessen. De prins vertelt hem dat het precies een jaar geleden was dat hij op Aarde was terechtgekomen, en dat hij vannacht zijn planeet precies boven deze plek staat. Hij wil weer terug naar zijn planeet, en zijn bloem. Hij ziet de slang die hij ook had ontmoet toen hij voor het eerst op de Aarde terecht was gekomen. Hij vraagt aan de slang of hij hem wil doodbijten, omdat zijn lichaam te zwaar is voor de reis terug.

De verteller is heel verdrietig, want hij was heel erg van het prinsje gaan houden. Het prinsje zegt tegen hem: "Ga elke nacht naar de sterren kijken. En ervan is van mij, en al weet je niet welke, ze zullen je troosten en alle sterren zullen je vrienden zijn.

Please be aware that the free essay that you were just reading was not written by us. This essay, and all of the others available to view on the website, were provided to us by students in exchange for services that we offer. This relationship helps our students to get an even better deal while also contributing to the biggest free essay resource in the UK!