Marokkanen die in de jaren

Marokkanen

Historische situatie:

Sinds het begin van de jaren zestig van de 20ste eeuw ontving Rotterdam grote groepen arbeidsmigranten. Na de Tweede Wereldoorlog was er grote chaos in Nederland. De economie was ingestort en Nederland moest volledig opnieuw opgebouwd worden. Veel bedrijven waren opgeheven of failliet en de werkloosheid nam toe. De wederopbouw ging samen met een sterke uitbreiding van de industrile sector; de ontwikkelingen in de techniek zorgden dat er nieuwe bedrijfstakken opkwamen en dat in bestaande sectoren (scheepswerven bijvoorbeeld) de activiteiten sterk toenamen. Er was nu juist een gebrek aan (geschoolde) arbeiders, vooral in de industriesector. Verschillende Nederlandse bedrijfstakken hadden een gebrek aan werknemers, maar in de jaren zestig was dit tekort zo uitgebreid dat overheid en bedrijfsleven overgingen tot actieve werving.[1]

De eerste Zuid-Europeaanse arbeidsmigranten kwamen naar Nederland om in de mijnen en de ijzersmelterijen te werken. Er was een sterke economische groei en de vraag naar (goedkope) gastarbeiders steeg. Hiervoor werd vooral in de Mediterrane landen geronseld, onder andere in Marokko. Marokkaanse werknemers kwamen eind jaren zestig en begin jaren zeventig. De gastarbeiders die naar Nederland kwamen, hadden het plan om snel geld te verdienen ter verbetering van hun sociaal-economische positie en dan terug te keren naar hun oorspronkelijke land. Dat was ook het voornemen van de Nederlandse overheid.[2] Velen van hen bleven echter hier wonen, lieten hun gezin overkomen en zochten hun plek in de Rotterdamse samenleving. Daardoor ontstond grote woningnood, die de regering aanzette tot nieuwbouwplannen. Gedurende de oorlog was de bouw van woningen namelijk zo goed als stil komen te liggen. Veel huizen waren tijdens de oorlog beschadigd of vernield. Tijdens de wederopbouw werden er veel huizen bijgebouwd, maar blijkbaar niet snel genoeg.

De Nederlandse overheid en het bedrijfsleven boden de arbeiders uit Marokko een voorlopig arbeidscontract en de migranten grepen de kans om met gastarbeid hun economische positie te versterken. In Nederland kwam er op dat moment een einde aan de geleide loonpolitiek. De rijksoverheid bemoeide zich niet meer met de loonvorming. De overheid liet de invulling van de loonruimte vanaf toen over aan de werkgevers en de werknemers. De ene loongolf volgde op de andere. Traditiegetrouw waren het vooral mannen uit het Rifgebied (een gebied in het noorden van Marokko), die vrijgezel of getrouwd waren, maar in ieder geval zonder vrouw en/of kinderen waren vertrokken. Het Rifgebied, waar de meesten vandaan kwamen, was het armste en minst ontwikkelde gebied van Marokko. De Marokkaanse arbeidsmigranten wachtten langer met het overkomen van hun gezin dan de Zuid-Europeanen. De Marokkaanse arbeiders waren getrouwd of vrijgezel en hadden over het algemeen een lager opleidingsniveau dan de andere groepen.

Kenmerkend aspect 48, de toenemende westerse welvaart die vanaf de jaren zestig van de 20ste eeuw aanleiding gaf tot ingrijpende sociaal-culturele veranderingsprocessen, heeft betrekking op deze migrantengroep.

Ook kenmerkend aspect 49, de ontwikkeling van pluriforme en multiculturele samenlevingen, heeft betrekking op de Marokkanen.

Door migratie werd de Nederlandse maatschappij een samenleving waarin veel verschillende religies, culturen en levenswijzen bij elkaar kwamen. De Marokkanen waren vooral moslims en de meeste inwoners van Rotterdam waren katholiek. De verschillende culturen gingen zich steeds meer mengen, maar tegelijkertijd waren er wel spanningen tussen de Nederlanders en de Marokkanen.

Doel/reden:

De Marokkanen trokken in de jaren '60 van de 20ste eeuw naar Rotterdam. De mannen kwamen hier om te werken en accepteerden naar eigen zeggen alles. Sommigen hadden er nog een tweede baantje bij voor de avonduren. Werk vonden zij via tips van vrienden en familie. Deze mensen wisten nauwelijks waar ze terecht kwamen, maar dat gold ook voor de arbeiders die waren geworven.[3]

In Nederland ontstonden veel mogelijkheden om geld te verdienen, vooral in de industrile sector. Het betrof vooral werk in ongeschoolde en laaggeschoolde posities. Problemen in de droge landbouw, waar het merendeel van de agrarische beroepsbevolking werkzaam was, oefenden een blijvende druk op migratie uit.[4]

Een derde van de Marokkaanse mannen is als 'gastarbeider' naar Nederland gekomen. Het aantal vrouwen dat gedurende deze eerste migratieperiode naar Nederland kwam, is vrij klein. Sommige Marokkaanse arbeidsmigranten vertrokken uit Marokko, omdat ze onvoldoende verdienden om zichzelf of hun gezin in Marokko te onderhouden of omdat de sociale voorzieningen in Marokko ontoereikend waren of geheel ontbraken. Ook vertrok een deel van hen, omdat ze in hun land van herkomst een onzekere toekomst tegemoet gingen. Politieke redenen waren er nauwelijks. De sociaal-economische redenen voor vestiging in Nederland waren vooral het gemak waarmee de Marokkaanse arbeidsmigranten in Nederland een baan dachten te kunnen vinden, maar ook betere sociale voorzieningen en uitkeringen vergeleken met andere landen. Voor de arbeidsmigranten had ook de aanwezigheid van kennissen in Nederland invloed op de beslissing naar Nederland te migreren.[5]

Ontvangst:

De arbeiders kregen van de Nederlandse bedrijven en van de Marokkaanse overheid geen informatie. Ze werden geselecteerd op hun gezondheid en lichaamskracht (controle van handen en gebit) en dat was alles. Er werd door de Nederlandse samenleving positief tegen de Marokkanen aangekeken. In de loop der tijd is de houding van de Nederlandse samenleving negatiever geworden, als gevolg van onder meer de aanhoudende migratie, de toenemende concurrentie op de arbeids- en de woningmarkt en de concentratie van migranten in bepaalde wijken.[6]

Aanpassing:

Als de Marokkaanse werknemers hun sociaal-economische positie verbeterd hadden, zouden ze teruggaan naar Marokko. Daarom leefden de gastarbeiders samen in pensions en hoefden ze op geen enkele manier te integreren in de Nederlandse samenleving. Ze kregen ook geen taalles aangeboden; dat zou alleen maar tijd kosten en was bovendien nergens voor nodig.[7]

De Marokkanen vroegen wel steeds meer aandacht, omdat aanpassing voor hen bijzonder moeilijk bleek te zijn. Ze hadden vooral behoefte aan individuele begeleiding. De meesten spraken namelijk geen Nederlands. De wensen op het gebied van ontspanning waren niet ingewikkeld. Een enkeling deed nog wel wat anders, zoals lezen of winkelen. Contacten met andere buitenlanders hadden ze niet en de afstand tussen hen en de Nederlanders werd ook niet kleiner.

Problemen:

De meeste Marokkanen verkeerden in sombere omstandigheden. Ze woonden in zeer vuile pensions of onbewoonbaar verklaarde huizen. De concentratie van migranten in bepaalde wijken wordt door veel migranten beschouwd als een ongewenste ontwikkeling, omdat daardoor de kansen op integratie en sociale stijging worden verminderd, maar ook omdat ze zich een makkelijker doelwit voelen voor racistische aanslagen.

Eind jaren zestig zette de stichting SHBW (Stichting Hulp aan Buitenlandse Werknemers Rijnmond) de individuele hulpverlening aan alle buitenlandse werknemers op en startte ze met groepsactiviteiten. Het was de bedoeling de Marokkanen in het buurthuis wat gezelligheid te bieden, het contact met Nederlanders mogelijk te maken en misschien zelfs de sociale bewustwording te stimuleren. Er kwamen veel Marokkanen en Nederlanders. Het was vooral moeilijk de bezoekers actief bij de organisatie te betrekken vanwege de omstandigheden waaronder de Marokkanen werkten. Ze hadden vaak twee banen en sommigen werkten acht maanden in Nederland en vier maanden in Marokko. De daadwerkelijke invloed van de SHBW op groepsvorming bij de Marokkanen is noodgedwongen gering geweest.[8]

Persoonlijk verslag:

Ik heb voor deze migrantengroep twee fragmenten gevonden van een persoonlijk verslag:

'Over het algemeen leven wij in groepen van 2 tot 30 man in n huis, zodat wij het gevoel hebben in Marokko te zijn. Dit geeft ons een veilig gevoel, daar er een enorm verschil in cultuur is tussen Nederland en Marokko. In deze tehuizen kunnen wij onze eigen taal spreken en koken op onze eigen manier. Het was niet moeilijk voor ons het werk te begrijpen daar het vaak zeer eenvoudig is en wij meestal kunnen zien wat we moeten doen.

De meesten hebben geen hobby. Over het algemeen drinken wij 's avonds thee en praten wat met elkaar en zijn wij zeer harde en serieuze werkers; de fabrieken hebben dan ook bijna nooit moeilijkheden met ons. Na een dag van hard werken gaan wij vroeg ter ruste; enige vorm van ontspanning is ons vreemd. Zoals bijna alle oosterlingen zijn wij zeer gevoelig.' (Van de Laar 1998, pp. 260)

Deze bron is representatief voor de Marokkaanse migranten. De inhoud geldt voor bijna alle Marokkanen die in de jaren '60 van de 20ste eeuw naar Rotterdam trokken.

De bron is niet erg betrouwbaar. Hij is pas later opgeschreven en de maker had er het belang bij te laten zien hoe het leven van de Marokkanen in Nederland over het algemeen is. Hij probeert wel objectief te zijn. De informatie komt van zijn eigen belevenissen, maar de maker laat niet zien welke problemen de migrantengroep tegenkwamen in de nieuwe situatie. Waarschijnlijk was de maker geheel of gedeeltelijk ooggetuige van wat hij beschrijft. Getuigenissen van ooggetuigen zijn betrouwbaarder dan getuigenissen van mensen die vertellen wat zij van anderen hebben gehoord. Ik heb niet kunnen vinden wanneer hij zijn bevindingen opschreef. Herinneringen vervagen namelijk in de loop van de tijd. De juistheid van de informatie wordt niet erg benvloed door zijn standplaatsgebondenheid. De bron is gemaakt door een Marokkaan, die zelf op dat moment in die omstandigheden verkeerde. Het is mogelijk dat de maker misschien bepaalde zaken heeft verzwegen om anderen of zichzelf te beschermen of om anderen niet te kwetsen.

Het verhaal van een 28-jarige Marokkaanse man die naar Nederland is gekomen, is illustratief voor de invloed van sociaaleconomische redenen bij het besluit om het land van herkomst te verlaten en om naar Nederland te komen:

'Ik kom uit een dorp met een paar honderd inwoners in het Rifgebied. Voordat ik naar Nederland migreerde, was ik al een jaar of vijf werkloos. Ik had wel een aantal maanden rondgereisd met cassettes, die ik op straat probeerde te verkopen. Toen ben ik ook in Rabat geweest. Als je ziet dat je ergens iets kunt verdienen, dan doe je dat. Als het niets blijkt te zijn, pak je weer je biezen. Het was geen vaste baan. Het was meer een noodoplossing omdat er verder niets was. Ik was niet erg optimistisch over mijn perspectieven in Marokko en dacht een sombere toekomst tegemoet te gaan. In Marokko zag ik helemaal geen toekomst voor mijzelf. Ik ben naar Nederland gekomen omdat ik wist dat ik hier verder een opleiding kon krijgen, en omdat het hier makkelijker zou zijn om een 'echte' baan te vinden.' (Esveldt 1995, pp. 69)

Deze bron is niet erg representatief voor de Marokkaanse mannen die migreerden. De inhoud geldt alleen voor de 28-jarige Marokkaanse man die naar Nederland is gekomen.

De bron is wel betrouwbaar. Hij is in dezelfde tijd opgeschreven en de maker had er het belang bij de invloed van sociaal-economische redenen bij het besluit om het land van herkomst te verlaten en om naar Nederland te komen te illustreren. Hij probeert niet erg objectief te zijn. De informatie komt van de Marokkaanse man zelf die zijn verhaal vertelt, maar hij laat niet zien of hij in Nederland echt een opleiding heeft gekregen en een baan heeft gevonden. Waarschijnlijk was de maker geheel of gedeeltelijk ooggetuige van wat hij beschrijft. Getuigenissen van ooggetuigen zijn betrouwbaarder dan getuigenissen van mensen die vertellen wat zij van anderen hebben gehoord. Ik heb niet kunnen vinden wanneer hij zijn bevindingen opschreef. Herinneringen vervagen namelijk in de loop van de tijd. De juistheid van de informatie wordt niet erg benvloed door zijn standplaatsgebondenheid. De bron is gemaakt door een Marokkaanse man, die zelf op dat moment naar Nederland kwam. Het is mogelijk dat de maker misschien bepaalde zaken heeft verzwegen om anderen of zichzelf te beschermen of om anderen niet te kwetsen.

Historische situatie:

De migratie vanuit arme naar rijke landen in West-Europa brak pas aan, nadat deze landen de inzinking van tijdens en kort na de Tweede Wereldoorlog te boven waren gekomen en hun economie opleefde. De knelpunten op die markten werden opgelost door het aantrekken van grote aantallen buitenlandse arbeidskrachten uit landen rond de Middellandse Zee en uit de (voormalige) kolonin. De behoefte aan buitenlandse arbeidskrachten steeg met de jaarlijkse economische groei. Die groei hielp niet alleen de nationale ondernemers en multinationale ondernemingen, maar zeer zeker ook de autochtone Europese arbeidskrachten. Zo werd de werkweek korter, kon men langer naar school en eerder met pensioen gaan. Bovendien was de stadsreiniging, het aan de lopende band staan en uitvoeren van vuil en onaangenaam werk, een aangelegenheid geworden van de buitenlandse arbeider.[9]

Tussen 1955 en 1970 verplaatste een grote groep Surinamers zich naar Nederland. Vaak waren de emigranten haastig en onvoorbereid vertrokken. Nu of nooit, dachten velen. Vanaf het midden van de jaren zestig namen de boottarieven van Suriname naar Nederland af. De wederopbouw in Nederland ging goed en de werkgelegenheid in Nederland groeide. Vanaf 1965 kwamen meer laagopgeleide Surinamers in Nederland aan en zij probeerden een baan te vinden. Ook de uitbreiding van de verzorgingsstaat lokte Surinaamse migranten naar Nederland. Nederland had in die tijd hoge uitkeringen die vrij gemakkelijk werden toegekend. De grote toestroom van Surinamers zorgde voor problemen. Nederland was hier niet op voorbereid en er was eerst onvoldoende opvang en huisvesting.[10]

Het teken voor het vertrek van grote aantallen arbeiders uit Suriname naar Nederland werd ook gegeven toen enkele Nederlandse bedrijven in Suriname een wervingsactie begonnen. Door deze acties werd het ook voor de 'gewone man' mogelijk om naar Nederland te gaan. Behalve de werving van arbeidskrachten voor industrie en scheepsbouw was er de werving van betaalde voetballers en verpleegsters. Over het algemeen waren het vooral mannen die migreerden. Na 1964 kwam hierin verandering en begonnen ook vrouwen het land op flinke schaal te verlaten. Gezinshereniging was n van de factoren die een rol speelde bij de stijging van vrouwen en kinderen in de migratie.

Kenmerkend aspect 48, de toenemende westerse welvaart die vanaf de jaren zestig van de 20ste eeuw aanleiding gaf tot ingrijpende sociaal-culturele veranderingsprocessen, heeft betrekking op deze migrantengroep.

Ook kenmerkend aspect 49, de ontwikkeling van pluriforme en multiculturele samenlevingen, heeft betrekking op de Surinamers.

Door migratie werd de Nederlandse maatschappij een samenleving waarin veel verschillende religies, culturen en levenswijzen bij elkaar kwamen. De Surinamers hingen vooral het christendom aan en het grootste deel van de Nederlandse bevolking had als religie het katholicisme. Het was een cultuurverrijking, maar zorgde ook voor isolement van groepen nieuwkomers.

Doel/reden:

De Surinamers kwamen tussen 1955 en 1970 naar Nederland. Voor de arbeiders uit Suriname betekende de migratie een enorme financile vooruitgang. Zij verdienden in Nederland wel vijf keer zoveel als in Suriname, kregen daarnaast kinderbijslag en konden aanspraak maken op diverse sociale voorzieningen, zoals de ziekte- en ongevallenwet, regelingen die in Suriname niet of slechts in beperkte mate bij de overheid en sommige grote buitenlandse ondernemingen bestonden.

Een even belangrijk migratiemotief als werkgelegenheid was studie. Surinamers waren voor de meeste beroepsopleidingen op middelbaar- en hoger niveau op Nederland aangewezen. Maar ook voor andere opleidingen die in Suriname gevolgd konden worden, maakte men de oversteek. En van de redenen was dat een in Nederland genoten opleiding in hoger aanzien stond dan een opleiding van gelijkwaardig niveau die in Suriname was gevolgd. En soms verdiende men ook meer met het in Nederland behaalde diploma. Een andere groep vertrok zowel vanwege werk als studie.

Het migratiemotief kwam ook als redmiddel voor degenen die door persoonlijke moeilijkheden, zoals een echtscheiding of buitenechtelijke zwangerschap, in een noodsituatie waren gekomen. Via de migratie kon men zich dan aan de frustrerende aanwezigheid van familieleden en bekenden onttrekken.

Geconfronteerd met de groeiende werkloosheid en de geringe onderwijskansen in Suriname, kwam het voor dat ouders hun nog jonge kinderen naar Nederland stuurden voor beter onderwijs en voor een beter leven. De kinderen werden soms met een zekere zorgeloosheid naar familie, een vriend of zelfs een onbekende in Nederland gestuurd, waarmee soms van tevoren slechts vage afspraken waren gemaakt. Sommige kinderen werden zonder enige afspraak naar Nederland gestuurd, bijna als postpakket.

Een ander migratiemotief kon ontevredenheid zijn over de politieke situatie in het land, of het niet krijgen van een bepaalde benoeming. Ook het vluchten na een verbroken relatie of omdat bepaalde goederen niet meer te krijgen waren in Suriname, kon een reden voor vertrek zijn. Er waren maar weinig Surinamers die zonder een vooropgezet doel het land verlieten, tenzij het kinderen waren waarover door anderen beslist werd.[11]

Ontvangst:

Nederlanders waren, zoals dat in de kolonie op alle mogelijke manieren werd voorgesteld, in alle opzichten goede, aardige mensen. Nog afgezien van het grote aantal Surinamers dat naar Nederland trok, moesten de Nederlanders wel even wennen aan deze groep. Men was vooral gewend aan hoogopgeleide Surinamers en nu kwam een zeer divers gezelschap het land binnen.[12]

Aanpassing:

Over aanpassingsproblemen en negatieve ervaringen werd niet geschreven, waarschijnlijk uit angst dat familie en vrienden in Suriname dit als falen van de migrant zouden uitleggen. Doordat de negatieve ervaringen meestal achterwege werden gelaten, werden de positieve berichten bij familie en vrienden uiteraard belangrijker. De achterblijvers kregen een beeld van een niet-discriminerende samenleving, terwijl discriminatie en racisme wel degelijk aanwezig waren.

Daar waar geen goede opvang en begeleiding waren in de inwerkperiode, waren de aanpassingsproblemen het grootste en het onbegrip van collega's het sterkst. Het werktempo van een Surinamer werd gemeten aan dat van zijn Hollandse collega, terwijl hij nog in zijn inwerkperiode was en bovendien nog andere aanpassingsproblemen had. Een ander aspect was dat Surinamers heel bewust geen promotiekansen kregen.

Problemen:

Men verzweeg alle frustraties die men in de Nederlandse samenleving opdeed. En dit waren er nogal wat. Vooral in de werk- en woonsfeer waren er moeilijkheden.

De moeilijkheden op woongebied lagen in het vinden van een kamer en het bewonen hiervan. Het was erg moeilijk voor Surinamers om een geschikte kamer te vinden. Kamerverhuurders wilden over het algemeen liever niet aan 'zwarten' verhuren. Men kwam meestal aan een kamer door een blanke vriend of vriendin de kamer te laten bespreken, waardoor de kamerverhuurder niet meer durfde om haar toezegging te herroepen als het zwarte gezicht voor haar verscheen. Verder kwam het regelmatig voor dat kamerverhuurders de post uit Suriname en ergens anders ook lazen als de bewoner weg was. Of er werd in de spullen gesnuffeld.

Er was geen speciale organisatie die zich bezighield met sociale hulpverlening aan Surinamers. Als er maatschappelijke problemen waren, kon men terecht bij liefdadige organisaties die meestal levensbeschouwelijk van aard waren. Soms kon men ook terecht bij de maatschappelijk werker van het bedrijf of bij de afdeling armenzorg van de plaatselijke sociale dienst. Financile ondersteuning was toen een gunst en geen recht. Naast bovengenoemde formele organisaties, was er ook een informeel circuit waar Surinamers terecht konden voor hulp. Dit circuit bestond onder andere uit Surinaamse cafhouders en Surinaamse pooiers die als hulpverlener optraden. De hulp was vaak materieel, zoals het betalen van kamerhuur, studiekosten en het verstrekken van maaltijden.[13]

Persoonlijk verslag:

Ik heb voor deze migrantengroep drie fragmenten gevonden van een persoonlijk verslag:

Een kind dat zonder enige afspraak naar Nederland werd gestuurd:

Mavis (2 jaar) was in januari 1970 door een radeloze moeder naar een vriendin in Nederland gestuurd. De moeder woonde onder zeer erbarmelijke omstandigheden in Suriname en was met acht kinderen door haar man in de steek gelaten. De vriendin had geen mogelijkheden Mavis op te vangen, omdat zij zelf op n kamer woonde en een baan buitenshuis had. Mavis werd aan de zorg van de Raad voor de Kinderbescherming toevertrouwd en in een tehuis geplaatst. Later werd zij naar Suriname teruggestuurd, omdat dit toch de beste oplossing voor haar was. (Budike 1982, pp. 58)

Deze bron is representatief voor de Surinaamse kinderen. De inhoud geldt voor bijna alle kinderen die zonder enige afspraak naar Nederland werden gestuurd.

De bron is ook betrouwbaar. Hij is in dezelfde tijd opgeschreven en de maker had er het belang bij te laten zien in welke omstandigheden de ouders woonden en waarom de kinderen toevertrouwd werden aan de zorg van de Raad voor de Kinderbescherming. Ook probeert hij objectief te zijn. De informatie komt van de persoonlijke ervaringen van Mavis, die een ooggetuige vertelt, maar de maker laat niet zien wat er met de andere zeven kinderen was gebeurd. Waarschijnlijk was de maker geheel of gedeeltelijk ooggetuige van wat hij beschrijft. Getuigenissen van ooggetuigen zijn betrouwbaarder dan getuigenissen van mensen die vertellen wat zij van anderen hebben gehoord. Ik heb niet kunnen vinden wanneer hij zijn bevindingen opschreef, maar ik denk dat het een paar jaar later is opgeschreven op grond van zijn herinneringen. Herinneringen vervagen in de loop van de tijd en dat is niet erg betrouwbaar, tenzij de maker aantekeningen had. De juistheid van de informatie wordt niet erg benvloed door zijn standplaatsgebondenheid. Ik weet niet door wie de bron is gemaakt. Dat kan zowel een Surinamer als een Nederlander zijn geweest, die zelf op dat moment veel te weten was gekomen over Mavis. Het is mogelijk dat de maker misschien bepaalde zaken heeft verzwegen om anderen of zichzelf te beschermen of om anderen niet te kwetsen.

Een ander geval betreft een kind dat bij een onbekend Nederlands echtpaar werd achtergelaten:

Ramchander (14 jaar), enig kind van een alleenstaande moeder, werd vanaf zijn tweede jaar door pleegouders opgevoed. Deze kwamen uit de beter-gesitueerde klasse van de Surinaamse samenleving. In 1969 kwamen de pleegouders naar Nederland en een jaar later lieten zij hem overkomen. Enkele maanden na zijn komst vertrokken de pleegouders weer naar Suriname met de bedoeling er enkele weken te blijven. Zij verzochten een echtpaar dat zij nauwelijks kenden om Ramchander tijdens hun afwezigheid op te vangen. Tot ieders verbazing schreven de pleegouders na drie weken, dat zij niet terugkwamen. Zij verzochten het Nederlands echtpaar voor hem te willen blijven zorgen, wat om persoonlijke redenen niet kon. De jongen werd in een tehuis geplaatst. (Budike 1982, pp. 59)

Deze bron is representatief voor de Surinaamse kinderen. De inhoud geldt voor bijna alle kinderen die bij een onbekend Nederlands echtpaar werden achtergelaten.

De bron is ook betrouwbaar. Hij is in dezelfde tijd opgeschreven en de maker had er het belang bij te laten zien dat pleegouders naar Nederland kwamen, de kinderen over lieten komen en vervolgens een echtpaar verzochten hen op te vangen. Hij probeert objectief te zijn. De informatie komt van de persoonlijke ervaringen van Ramchander, die een ooggetuige vertelt, maar de maker laat niet zien waarom de pleegouders niet terugkwamen. Waarschijnlijk was de maker geheel of gedeeltelijk ooggetuige van wat hij beschrijft. Getuigenissen van ooggetuigen zijn betrouwbaarder dan getuigenissen van mensen die vertellen wat zij van anderen hebben gehoord. Ik heb niet kunnen vinden wanneer hij zijn bevindingen opschreef, maar ik denk dat het een paar jaar later is opgeschreven op grond van zijn herinneringen. Herinneringen vervagen in de loop van de tijd en dat is niet erg betrouwbaar, tenzij de maker aantekeningen had. De juistheid van de informatie wordt niet erg benvloed door zijn standplaatsgebondenheid. Ik weet niet door wie de bron is gemaakt. Dat kan zowel een Surinamer als een Nederlander zijn geweest, die zelf op dat moment veel te weten was gekomen over Ramchander. Het is mogelijk dat de maker misschien bepaalde zaken heeft verzwegen om anderen of zichzelf te beschermen of om anderen niet te kwetsen.

Het laatste geval betreft een meisje, dat als 'Kweekje' door een Nederlands echtpaar uit Suriname werd meegenomen:

Na enkele jaren tropenarbeid besloot het echtpaar A. naar Nederland terug te keren. Twee maanden vr hun vertrek gingen zij naar een dorp, waar zij een zeventienjarig meisje 'uitzochten', dat zij als bediende-kindermeid meenamen. Dit meisje werd in Nederland uitgebuit en vernederd op een manier die kolonialistisch genoemd kan worden. Zo moest zij van 's morgens zeven uur tot 's avonds tien uur werken en haar maaltijden (afzonderlijk) in de keuken eten. Voor haar sloven kreeg zij veertig gulden per maand. Toen zij in opstand kwam werd het echtpaar zeer rancuneus en eiste (als straf) terugzending naar Suriname via de Raad voor de Kinderbescherming. Bovendien wenste men de passagekosten terug, welke door hen betaald was. Het meisje werd in een tehuis geplaatst, raakte een paar maanden later in verwachting en werd alleenstaande ouder. (Budike 1982, pp. 59)

Deze bron is niet erg representatief voor Surinaamse meisjes die migreerden. De inhoud geldt alleen voor het meisje dat door een Nederlands echtpaar uit Suriname werd meegenomen.

De bron is wel betrouwbaar. Hij is in dezelfde tijd geschreven en de maker had er het belang bij te laten zien dat een echtpaar meisjes uitzochten, die als bedienden meenamen naar Nederland en als straf terugzonden naar Suriname via de Raad voor de Kinderbescherming. Hij probeert objectief te zijn. De informatie komt van een ooggetuige, maar de maker laat niet zien hoe het meisje als alleenstaande ouder in haar levensonderhoud kon voorzien. Waarschijnlijk was de maker geheel of gedeeltelijk ooggetuige van wat hij beschrijft. Getuigenissen van ooggetuigen zijn betrouwbaarder dan getuigenissen van mensen die vertellen wat zij van anderen hebben gehoord. Ik heb niet kunnen vinden wanneer hij zijn bevindingen opschreef, maar ik denk dat het een paar jaar later is opgeschreven op grond van zijn herinneringen. Herinneringen vervagen in de loop van de tijd en dat is niet erg betrouwbaar, tenzij de maker aantekeningen had. De naam van het meisje wordt niet vermeld. De juistheid van de informatie wordt niet erg benvloed door zijn standplaatsgebondenheid. Ik weet niet door wie de bron is gemaakt, maar ik vermoedt dat het een Nederlander is geweest, omdat hij de situatie van het meisje in Nederland nauwkeuriger beschrijft dan haar situatie in Suriname. Het is mogelijk dat de maker misschien bepaalde zaken heeft verzwegen om anderen of zichzelf te beschermen of om anderen niet te kwetsen.

Overeenkomsten en verschillen:

Overeenkomsten:

De eerste overeenkomst die ik gevonden heb tussen de Marokkanen en de Surinamers is de periode waaruit de migrantengroepen kwamen. Deze tijd betreft de jaren '50, '60 & '70 van de 20ste eeuw. De Marokkanen zochten hun heil in de jaren '60 van de 20ste eeuw in Rotterdam en de Surinamers zochten hun heil tussen 1955 en 1970 ergens in de wereld.

Mijn tweede overeenkomst is het doel of de reden waarom de migranten uit hun land van herkomst vertrokken. Beide groepen gingen naar een ander land om te werken en meer te verdienen dan in hun eigen land.

Een derde overeenkomst dat ik ben tegengekomen is de afstand tussen de migranten en de Nederlanders. De Marokkanen hadden geen contact met andere buitenlanders en de afstand tussen hen en de Nederlanders werd niet kleiner. De achterblijvers in Suriname kregen een beeld van een niet-discriminerende samenleving, terwijl discriminatie en racisme welig tierden.

De vierde overeenkomst die ik gevonden heb zijn de moeilijkheden in de woonsfeer. Het was moeilijk voor Surinamers om een kamer te vinden, want de kamerverhuurders wilden niet aan zwarten verhuren. De meeste Marokkanen verkeerden in naargeestige omstandigheden en woonden in vuile pensions of onbewoonbaar verklaarde huizen.

Verschillen:

Het eerste verschil dat ik gevonden heb tussen de Marokkanen en de Surinamers is studie als migratiedoel/reden. Het belangrijkste motief van de Marokkanen was werkgelegenheid, terwijl de Surinamers ook op Nederland waren aangewezen voor beroepsopleidingen.

Mijn tweede verschil is het migratiemotief als redmiddel om zich te onttrekken aan familieleden en bekenden. Dit had betrekking op de Surinamers in tegenstelling tot de Marokkanen. Velen van hen bleven hier wonen en lieten hun gezin overkomen.

Een derde verschil dat ik ben tegengekomen is het met zorgeloosheid sturen van kinderen naar een ander land voor beter onderwijs en een beter leven. De Surinaamse ouders werden geconfronteerd met werkloosheid en geringe onderwijskansen en stuurden hun kinderen naar familie, een vriend of een onbekende. Hier hadden de Marokkaanse ouders niet mee te maken.

Het vierde verschil dat ik gevonden heb is het migratiemotief van ontevredenheid over de politieke situatie. Als een Surinamer bijvoorbeeld een bepaalde benoeming niet had gekregen, was dat voor hem een reden om te migreren. Bij de Marokkanen waren er nauwelijks politieke redenen.

Mijn vijfde verschil is de ontvangst en de houding die de ontvangende bevolking aannam tegenover de migranten. De arbeiders uit Marokko kregen geen informatie van de Nederlandse bedrijven en de Marokkaanse overheid en de houding van de Nederlandse samenleving werd negatiever, terwijl de Surinamers de Nederlanders aardige mensen vonden.

Een zesde verschil dat ik ben tegengekomen is de aanpassing en de houding die de nieuwkomers aannamen. Als de Marokkaanse werknemers hun doel hadden bereikt, zouden ze teruggaan naar Marokko en hoefden ze niet te integreren in de Nederlandse samenleving. Hier hadden de Surinamers niet mee te maken.

De literatuurlijst

  • Budike, F. (1982), "Surinamers naar Nederland", hieruit: hoofdstuk 4, migratie tussen 1955 en 1970, Amsterdam: Instituut Voortgezet Agogisch Beroepsonderwijs. pp. 39-44, 48-60.
  • Esveldt, I. et al (1995), "Migratiemotieven, migratienetwerken en partnerkeuze van Turken en Marokkanen in Nederland", hieruit: hoofdstuk 4, migratiemotieven, Den Haag: Stichting Nederlands Interdisciplinair Demografisch Instituut (NIDI). pp. 65-73, 90-99, 114-116.
  • Laar, Paul T. van de (1998), "Vier eeuwen migratie", hieruit: hoofdstuk 12, de Stichting Hulp aan Buitenlandse Werknemers en de organisatievorming bij Zuid-Europese, Turkse en Marokkaanse arbeidsmigranten in Rotterdam, Rotterdam: MondiTaal Publishing. pp. 240-243, 259-263.
  • Muus, Ph. J. & R. Penninx (1991), "Immigratie van Turken en Marokkanen in Nederland", hieruit: hoofdstuk 5.6.1, samenvatting belangrijkste kenmerken van de immigratie van Turken en Marokkanen in Nederland, Den Haag: Directie Cordinatie Minderhedenbeleid, Directoraat-generaal Openbaar Bestuur, Ministerie van Binnenlandse Zaken. pp. 70-71.
  • Abdel (2008), "Immigratie en integratie van Marokkanen in Nederland", http://samenleving-en-ontwikkeling.infoyo.nl/overige/195-immigratie-en-integratie-van-marokkanen-in-nederland.html 19-08-2008.
  • Onbekend (2007), "Geschiedenis van de Surinamers in Nederland", http://wapedia.mobi/nl/Geschiedenis_van_de_Surinamers_in_Nederland#2 10-02-2007.

[1] Laar, Paul T. van de (1998), "Vier eeuwen migratie", hieruit: hoofdstuk 12, de Stichting Hulp aan Buitenlandse Werknemers en de organisatievorming bij Zuid-Europese, Turkse en Marokkaanse arbeidsmigranten in Rotterdam, Rotterdam: MondiTaal Publishing. pp. 240-243, 259-263.

[2] Abdel (2008), "Immigratie en integratie van Marokkanen in Nederland", http://samenleving-en-ontwikkeling.infoyo.nl/overige/195-immigratie-en-integratie-van-marokkanen-in-nederland.html 19-08-2008.

[3] Laar, Paul T. van de (1998), "Vier eeuwen migratie", hieruit: hoofdstuk 12, de Stichting Hulp aan Buitenlandse Werknemers en de organisatievorming bij Zuid-Europese, Turkse en Marokkaanse arbeidsmigranten in Rotterdam, Rotterdam: MondiTaal Publishing. pp. 240-243, 259-263.

[4] Muus, Ph. J. & R. Penninx (1991), "Immigratie van Turken en Marokkanen in Nederland", hieruit: hoofdstuk 5.6.1, samenvatting belangrijkste kenmerken van de immigratie van Turken en Marokkanen in Nederland, Den Haag: Directie Cordinatie Minderhedenbeleid, Directoraat-generaal Openbaar Bestuur, Ministerie van Binnenlandse Zaken. pp. 70-71.

[5] Esveldt, I. et al (1995), "Migratiemotieven, migratienetwerken en partnerkeuze van Turken en Marokkanen in Nederland", hieruit: hoofdstuk 4, migratiemotieven, Den Haag: Stichting Nederlands Interdisciplinair Demografisch Instituut (NIDI). pp. 65-73, 90-99, 114-116.

[6] Laar, Paul T. van de (1998), "Vier eeuwen migratie", hieruit: hoofdstuk 12, de Stichting Hulp aan Buitenlandse Werknemers en de organisatievorming bij Zuid-Europese, Turkse en Marokkaanse arbeidsmigranten in Rotterdam, Rotterdam: MondiTaal Publishing. pp. 240-243, 259-263.

[7] Abdel (2008), "Immigratie en integratie van Marokkanen in Nederland", http://samenleving-en-ontwikkeling.infoyo.nl/overige/195-immigratie-en-integratie-van-marokkanen-in-nederland.html 19-08-2008.

[8] Laar, Paul T. van de (1998), "Vier eeuwen migratie", hieruit: hoofdstuk 12, de Stichting Hulp aan Buitenlandse Werknemers en de organisatievorming bij Zuid-Europese, Turkse en Marokkaanse arbeidsmigranten in Rotterdam, Rotterdam: MondiTaal Publishing. pp. 240-243, 259-263.

[9] Budike, F. (1982), "Surinamers naar Nederland", hieruit: hoofdstuk 4, migratie tussen 1955 en 1970, Amsterdam: Instituut Voortgezet Agogisch Beroepsonderwijs. pp. 39-44, 48-60.

[10] Onbekend (2007), "Geschiedenis van de Surinamers in Nederland", http://wapedia.mobi/nl/Geschiedenis_van_de_Surinamers_in_Nederland#2 10-02-2007.

[11] Budike, F. (1982), "Surinamers naar Nederland", hieruit: hoofdstuk 4, migratie tussen 1955 en 1970, Amsterdam: Instituut Voortgezet Agogisch Beroepsonderwijs. pp. 39-44, 48-60.

[12] Onbekend (2007), "Geschiedenis van de Surinamers in Nederland", http://wapedia.mobi/nl/Geschiedenis_van_de_Surinamers_in_Nederland#2 10-02-2007.

[13] Budike, F. (1982), "Surinamers naar Nederland", hieruit: hoofdstuk 4, migratie tussen 1955 en 1970, Amsterdam: Instituut Voortgezet Agogisch Beroepsonderwijs. pp. 39-44, 48-60.

Please be aware that the free essay that you were just reading was not written by us. This essay, and all of the others available to view on the website, were provided to us by students in exchange for services that we offer. This relationship helps our students to get an even better deal while also contributing to the biggest free essay resource in the UK!