Route naar het verre oosten

Voorwoord

Ik heb de ontdekkingsreis naar de route via de noordelijke route naar het Verre Oosten gekozen omdat mij een spannende reis lijkt. Vooral als je weet hoe ze het hebben volgehouden op Nova Zembla waar ze waren gestrand. Ik hoop dat het een mooi en leuk werkstuk wordt.

Hoofdstuk 1 Algemeen

In de 15e en 16e eeuw werden vanuit verschillende landen met schepen ontdekkingsreizen gedaan. Zo ging bijvoorbeeld Vasco da Gama op zoek naar de specerijenroute vanuit Portugal in 1497, Columbus ging in 1492 richting het westen en ontdekte Amerika.

Verder waren er al veel zeelieden geweest die via het noorden een handelsroute probeerden te vinden. Hudson probeerde via het noordwesten boven Amerika langs te varen. De regering van Nederland wilde graag handelen met het verre oosten omdat daar volgens de Portugezen veel te halen was. De Portugezen namen de noordoostelijke blauwe route op de kaart die je hieronder ziet. Omdat de Nederlanders geen ruzie met de Portugezen wilden moesten ze hun eigen route zoeken.

Volgens de Nederlands geleerde Plancius, die erg beroemd was in Europa, was de weg via de Noordpool ook veel sneller dan de route die de Portugezen namen. Hij zei dat er een straat bestaat die leidt naar de zee zonder ijsschotsen. Omdat er nog nooit iemand die route gevaren had moest iemand die ontdekken. De regering van Nederland stuurde op 3 juni 1594 2 schepen op onderzoek uit. 1 onder leiding van Willem Barentsz en de ander onder leiding van Cornelis Nay.

Omdat er nog niemand via deze weg naar India was gegaan moest Willem Barentsz ook een kaart tekenen. Dat lukte niet echt omdat de schepen steeds van koers veranderden. Waarom deden ze dat? Omdat er veel ijsschotsen in het water waren en als een schip daar tegenaan voer, stootte het schip zich lek en zonk het. De schepen gingen uit elkaar om zo meer kans te hebben de straat te vinden die leidde naar de ijsvrije zee.

Hoofdstuk 2 Mijn verslag over de ontdekkingsreis

Mijn verslag begint met mijn eerste ontdekkingsreis met Willem Barentsz. Wij vertrokken op 5 juni 1594 met 4 schepen. Het eerste stuk van de reis ging makkelijk, omdat de route bekend was. Een stukje voorbij Noorwegen namen we afscheid van de schepen uit Zeeland en Enkhuizen. Zij gingen proberen in oostelijke richting tussen Nova Zembla en Rusland door te varen.

De twee Amsterdamse schepen, waaronder ons schip gingen verder naar het noordoosten. Willem Barentsz was bevelhebber van de Amsterdamse schepen. Wij kwamen al snel bij Nova Zembla aan en bleven langs de kust varen. Willem Barentsz tekende intussen een kaart van het eiland. Alle eilanden en baaien gaf hij een naam. Het eerste eiland waar we langs voeren noemde hij Willemsland.

We voeren met het schip verder naar het oosten en een man in het kraaiennest schreeuwde land in zicht. Ons schip voer langs het eiland en we zagen een witte beer lopen. Omdat we nog nooit een ijsbeer hadden gezien wilden we deze beer vangen voor als we weer terug in Nederland waren om de beer te laten zien. We gingen in een sloep achter de beer aan en gooiden touwen om zijn nek. Maar de beer was sterk en bleef de hele tijd met de sloep achter zich aan zwemmen. Na een tijdje bedachten we dat het veiliger zou zijn om alleen de vacht mee te nemen.

Na dertig dagen varen bereikten we het noordelijkste puntje van Nova Zembla. Maar omdat er zoveel ijs in het water dreef en het schip er niet heel doorheen zou komen besloten we om te keren en de andere schepen te vinden. We gingen naar de zuidkant van Nova Zembla en daar kwamen we ze tegen. De bemanning van de andere schepen vertelden ons dat ze via de zuidkant van Nova Zembla naar het oosten waren gevaren en daar een zee hadden gevonden waar heel weinig ijs dreef. Ze hadden aan de golven gezien dat het een zee was en geen doodlopende binnenzee. Ze waren naar het noordoosten gevaren opzoek naar kaap Tabin. Geleerden hadden gezegd dat die kaap moest bestaan al wisten ze het niet zeker. Als ze de kaap zouden vinden dan was de weg naar China heel dichtbij. De bemanning van Cornelis Nay vertelde dat ze na een paar dagen varen een kaap in zicht kregen. Dat moest kaap Tabin zijn volgens de bemanning. De schepen waren wel niet in China geweest maar dat hoefde ook niet ze wisten nu de weg. Ze waren omgekeerd en teruggevaren naar Nova Zembla waar ze onze schepen tegenkwamen. Samen besloten de bemanningen terug naar Nederland te gaan en het goede nieuws te vertellen.

Eenmaal in Nederland aangekomen vertelden we wat we ontdekt hadden. De regering besloot om een tweede vloot naar China te sturen. De schepen van die vloot hadden allemaal geld en handelswaar aan boord. Deze vloot zou in de zomer van 1595 uitvaren. Het plan was als volgt: als de schepen van de vloot langs kaap Tabin waren ging 1 schip terug om verslag uit te brengen. De vloot vertrok uit Nederland richting de Noordpool. We namen dezelfde weg als de eerste reis. Toen de vloot het zuidpunt van Nova Zembla had bereikt, zagen we dat de zee achter Nova Zembla vol ijs lag. Toch wilde Willem Barentsz het proberen, het duurde 1 week totdat alle schepen heel door de zeestraat heen waren. Maar ze konden niet verder. Overal waar de mannen keken waren ijsschotsen. Kaap Tabin was niet begaanbaar. Willem Barentsz vond het jammer om de expeditie op te geven en stelde voor om de hele winter te blijven en wachten tot het zomer werd. We hadden toch genoeg voorraden. Want iedereen dacht dat we zeker anderhalf jaar weg zouden zijn. En we waren nu toch op de helft. Maar veel mannen wilden dat niet en degenen die ook op de eerste reis mee waren, waren teleurgesteld. Ze hadden de open zee met hun eigen ogen gezien en nu was er alleen maar ijs. Veel mannen wilden naar huis gaan om te zien wat de geleerden ervan zeiden.

De geleerde Plancius vond het eigenlijk wel logisch dat Barentsz niet verder kon door het ijs. Plancius zei tegen Barentsz dat hij gewoon te dicht bij de kust was gebleven. Want volgens Plancius hield het land de kou vast en daarom lag er meer ijs dan op de open zee. Hij vond dat we het weer over moesten doen. Drie keer is scheepsrecht zei hij.

Op 10 mei 1596 gingen we weer met twee schepen naar de Noordpool en Barentsz was weer schipper. De koopman op het schip van Barentsz was Jacob Heemskerck hij had ook de leiding over de reis.

Op het andere schip was de koopman Jan Corneliszoon de Rijp. Elk schip had rond de zeventien man aan boord. Barentsz wilde dit keer jonge mannen die niet getrouwd waren. Barentsz vond dat die beter geschikt waren want dan zouden ze minder heimwee hebben. We gingen vanaf Amsterdam weer naar het noordpunt van Noorwegen. Vanaf daar voeren we naar het noorden. Dat ging een hele tijd goed, totdat we pakijs tegenkwamen die de hele Noordpool bedekte. We konden geen gat vinden om verder te komen. In het zuiden zagen we land. Het was een groep eilanden met puntige bergen daarom noemde Barentsz het Spitsbergen. Op Spitsbergen bleken planten en struiken te groeien. We dachten als het zo noordelijk al warm genoeg is voor planten, dan moesten er ook plaatsen zijn waar geen ijs was en waar we de Noordpool over konden steken. De schepen zakten af naar het zuiden, maar Jan Corneliszoon de Rijp wilde nog 1 keer naar het noorden varen om te zien of er echt geen doorgang was. Maar die was er niet. Jan Corneliszoon de Rijp en Willem Barentsz voeren naar het oosten om te zien of er bij de noordkant van Nova Zembla ijs lag. En als dat er was dan was de weg naar India niet meer zo ver weg. Jan Corneliszoon de Rijp gaf het op. Ook in het noorden was er geen doorgang. De ijsbergen torenden metershoog boven het ijs uit.

Jan Corneliszoon de Rijp voer terug naar Nederland. Iedereen in Nederland dacht dat Barentsz ook gauw weer terug zou komen maar dat gebeurde niet. Op een gegeven moment dachten ze dat Barentsz misschien tegen een ijsschots aangevaren was. Maar anderen dachten van niet. Barentsz was een goede stuurman en schipper die zijn schip toch niet zomaar kwijt raken. Hij zou vast al in China zijn om te handelen.

Iedereen had het mis. Samen met Willem Barentsz en Jacob van Heemskerck zaten we kleumend bij elkaar in een zelfgebouwde hut terwijl de sneeuwstormen langs de wanden gierden en het schip tussen de ijsschotsen lag. We waren weer naar Nova Zembla gevaren en het was gelukt aan de oostkant van het eiland te komen. Daarna werden we ingesloten door ijsschotsen en konden we geen kant meer op.

Er zat niets anders op dan aan land te gaan. We bouwden een hut van boomstammen en planken van het schip en haalden vaten met brood, vlees, wijn en stokvis van boord. We noemden de hut het Behouden Huys.

Veel van wat Petruc Plancius had verteld klopte niet. Maar wat hij had gezegd over de poolwinter klopte wel. Middenin de winter was het op Nova Zembla dag en nacht donker. Voor ons brak een lange koude en donkere winter aan. We moesten proberen de winter te overleven, wat nog niet meeviel in die vreselijke kou met al die ijsberen in de buurt. Twee van de mannen gingen dood. De lange winter was een saaie tijd voor ons, omdat we het grootste deel van de dag binnen zaten. In februari en maart werd het steeds langer licht en werd het minder koud. Onze schepen zaten nog vast in het ijs. Eind mei besloten Willem Barentsz en Jacob van Heemskerk dat we de roeiboten klaar moesten maken. We sloopten planken van het grote schip en maakten masten en zeilen.

Op 13 juni vertrokken we naar huis. Het eerste stuk was het moeilijkst tussen alle ijsschotsen. Een week na ons vertrek ging Willem Barentsz dood. Hij was verzwakt door de lange koude winter. Het was een klap voor ons. We begroeven hem op Nova Zembla.

Roeiend en zeilend voeren we langs de westkust naar het zuiden, waarbij nog eens twee mannen dood gingen. Na een maand varen kwamen we bij de zuidpunt van Nova Zembla waar we een groepje Russische mannen tegenkwamen. Ze vertelden ons dat er verderop 3 Nederlandse schepen lagen. We waren erg blij omdat we vast met ze mee mochten. Een paar dagen waren we nog blijer want het was Jan Corneliszoon Rijp die er aan kwam varen met wie we vorig jaar samen uit Nederland waren vertrokken. Hij had ook geen doorgang gevonden en was nu op een handelsreis naar Rusland. We mochten met hem mee.

Op 1 november 1957 kwamen we aan in Amsterdam gekleed in onze versleten kleren met mutsen van wit poolvossenbont. Samen met Jacob van Heemskerck werden we ontvangen door de burgemeester van Amsterdam. Ze hoorden ons verhaal aan en begrepen dat de route naar China via de Noordpool onbruikbaar was. Als we naar Azi wilden varen dan moesten we net als de Portugezen via Afrika. Dit betekende dat in het begin van de 17e eeuw de Nederlanders met de VOC via de zuidelijke routes handel gingen drijven.

Hoofdstuk 3 De schepen

De schepen waar we mee voeren waren kleine houten zeilschepen. Het waren schepen van tussen de 13 en 17 meter lang en 5 meter breed. De schepen hadden drie masten en een hoge achtersteven. De schepen waren zo klein om dat ze dan dichter bij de kust konden varen wat makkelijk was voor als je een kaart moest tekenen.

Er konden ongeveer 20 zeelieden mee op zo'n schip. Binnen in het schip bevonden zich een kajuit, de ruimte voor de stuurman en een grote ruimte om te verblijven en te slapen.

Nawoord

Het was leuk om over dit onderwerp een werkstuk te maken. Ik heb er veel van geleerd vooral dat hij eerst drie reizen heeft gemaakt, en bij de eerste reis de straat had ontdekt en bij de tweede reis was die weer weg. Het was leuk om hier een werkstuk over te maken.

BronvermeldingNeem deel aan de stemming over een voorstel voor globale moderatoren. Meer informatie.

Please be aware that the free essay that you were just reading was not written by us. This essay, and all of the others available to view on the website, were provided to us by students in exchange for services that we offer. This relationship helps our students to get an even better deal while also contributing to the biggest free essay resource in the UK!