Internet op het werk

Inleiding

Mijn interesse voor dit thema werd gewekt toen ik op 30 september naar het programma 'Volt' keek. Een topic hieruit was 'Facebook op het werk, netwerken of net niet werken'. Men onderzocht hoe de werkgevers met persoonlijk internetgebruik en Facebook omgaan, of ze dit verbieden of toestaan op de werkvloer. In het programma kwamen twee gasten aan bod die elk een zijde van dit topic verdedigden, Eric Van Den Branden en William Visterin. Mijnheer Van Den Branden was voor Facebook (en dus sociale netwerksites) op de werkvloer. Zijn standpunt was dat de hele heisa hieromtrent een 'déjà vu' was, een schrik voor het onbekende waarmee we vroeger al vaker mee geconfronteerd werden, zoals telefoon, e-mail, het internet. Mijnheer Visterin was van een andere mening en vond dat Facebook virussen binnenbrengt, dat je er confidentiële informatie mee kan uitwisselen en dat het bovendien tijdverlies was. De twee kanten kwamen dus aan bod in het programma en door dit korte debat werd het duidelijk dat het internet een zwaard is dat aan twee kanten snijdt. Het biedt voordelen maar ook nadelen, die zeker niet te onderschatten zijn.

Het internet zorgt voor het opengaan van een hele nieuwe wereld waarbij flexibiliteit en effectiviteit zorgden voor een hogere productiviteit. Verscheidene werkprocedures konden zo vergemakkelijkt worden, ook de communicatie werd sneller en gemakkelijker.

Deze masterproef richt zich tot het internetgebruik op het werk, specifiek het persoonlijk internetgebruik tijdens de werkuren. Dit is een probleem dat vaker opduikt, zeker nu de sociale netwerksites[1] populairder dan ooit zijn en de mensen graag hun persoonlijk leven delen met hun omgeving.

Een eerste deel bevat de theoretische uiteenzetting rond dit thema. Er wordt ook stilgestaan bij... Tenslotte.

In deel twee wordt het onderzoek nader verklaard, waarbij een diepteinterview werd afgenomen bij vijf werknemers en vijf werkgevers. Dit maakt het mogelijk om te onderzoeken hoe de Vlaamse werknemers en werkgevers de controle op het persoonlijk internetgebruik op het werk bekijken en ondervinden. Er wordt hierbij antwoord gegeven op de hoofdvraag...

Uit onze bevindingen blijkt dat....

Uit een onderzoek van Business Software Alliance bij 4000 werknemers in 20 landen die internettoegang hebben op de werkvloer, blijkt dat 35 procent van de werknemers regelmatig op sport- en nieuwssites surft op het werk.

Ook het online shoppen wint aan populariteit. Een studie van Insites Consulting ontdekte dat eindejaarsgeschenken vaker via de bedrijfscomputer worden gekocht. Zo was er in 2007 een stijging van 8 procent naar 35 procent tegen over het jaar 2006 van mensen die hun kerst- en Nieuwjaarscadeaus online kochten. 33 procent van deze online aankopen werden soms of meestal via de bedrijfscomputer aangekocht.[2] Andere surfactiviteiten op het werk zijn online-banking, gokken, reistransacties en nieuwskranten lezen.

Een probleem dat zich vaak voordoet is dat als er artikelen online worden gekocht, er vaak bepaalde sofware moet gedownload worden om betalingen veilig te laten verlopen. Deze software kan schadelijk zijn waardoor er technische en beveiligingsrisico's opduiken bij het downloaden en zo de bedrijfscomputer kunnen schaden. Hier knelt het schoentje, want het internetnetwerk is erg belangrijk voor een bedrijf, alle belangrijke informatie en data worden vaak op een computer bewaard, waardoor een virus of spyware enorme problemen kan veroorzaken. Niet alleen de software kan voor problemen zorgen, ook het schenden van auteursrechten die (onbedoeld) mee gedownload en verspreid worden, kunnen aanzien worden als een inbreuk op auteursrechten. Hiervoor zal de werkgever aansprakelijk gesteld worden en niet de werknemer die de inbreuk gepleegd heeft. Ook de server kan overbelast geraken waardoor er vertragingen of pannes ontstaan. Het is de taak van de werkgever om de bezigheden van de werknemers te controleren, wat er gedownload wordt en over welke licenties ze beschikken, maar vaak ontbreekt de tijd hen om dit te doen.[3]

DEEL 1: LITERATUURSTUDIE

In het eerste deel van de masterproef schetsen we het theoretisch kader rond het thema 'de controle van het internetgebruik op het werk' door een grondige literatuurstudie die rond dit onderwerp duidelijkheid schept.

Het eerste hoofdstuk handelt over de wetgeving in België en in een internationale context.

In het tweede hoofdstuk wordt.. van naderbij bekeken en besproken

Het derde hoofdstuk focust

Het laatste hoofdstuk werpt een licht op...

Hoofdstuk 1: Wetgeving

De controle op het privégebruik van het internet op de werkvloer kan niet zomaar uitgevoerd worden. Een wettelijk kader dient hieromtrent gerespecteerd te worden, zodat de privacy van de werknemers niet geschonden kan worden. Er kan op verschillende niveaus gecontroleerd worden (Backhouse en Dhillon, 1995, p. 647). Niet enkel de Belgische wetgeving is belangrijk, ook de internationale wetgeving heeft enkele wetten en richtlijnen ontworpen zodat de privacy internationaal gerespecteerd kan worden. Eerst wordt de Belgische wetgeving nader bekeken, daarna wordt de internationale wetgeving rond dit thema onder de loep genomen.

Wetgeving in België

De basis van deze regeling is het artikel 22 van de Belgische Grondwet dat stelt dat "Ieder heeft recht op eerbiediging van zijn privé-leven en zijn gezinsleven, behoudens in de gevallen en onder de voorwaarden door de wet bepaald" (Senaat, 04.03.2009).

Voorgaande wet geldt algemeen op de burger, maar er was nood aan een specifieke wet voor de bescherming van het privé-leven op het werk. Op 26 april 2002 werd bij de Nationale Arbeidsraad de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 81 gesloten "tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de werknemers ten opzichte van de controle op de elektronischeon-linecommunicatiegegevens", waarin aangegeven wordt hoe de normen voor de controle hierop moeten toegepast worden. Deze CAO waarborgt de persoonlijke levenssfeer van mensen, maar het is aan de onderneming zelf om de normen rond de controle op elektronische on-linecommunicatiegegevens te verduidelijken, aan te vullen of aan te passen (NAR, 26.4.2002).

De CAO nr. 81 is een bevestiging van de wet van 8 december 1992, die bepaalt hoe de controle van het internetgebruik rechtmatig kan verlopen, dit aan de hand van drie principes. Het finaliteitsbeginsel, dat doelstellingen weergeeft waarvoor de controle van werkgever op de werkgever is toegestaan; het proportionaliteitsbeginsel, dat zegt dat de controle op de werknemer met een grondige reden moet zijn en dus enkel het noodzakelijke; en het transparantiebeginsel dat stelt dat de werkgever de werknemer op de juiste manier moet informeren over de controle en raadpleging (NAR, 26.4.2002).

Wanneer de werkgever een controle uitvoert op het internetgebruik van de werknemer, moet de identiteit van de werknemer anoniem blijven, dus enkel lijsten van websites, duur van internetgebruik. Enkel wanneer uit deze gegevens blijkt dat er sprake is van misbruik of foutief gebruik, mag de werkgever de identiteit van de werkgever achterhalen (Vacature, 13.12.2009 en Everett, Wong & Paynter, 2004, p.297).

Tot slot is artikel 128 van de wet betreffende elektronische communicatie van 13 juni 2005 van belang. Dit artikel sluit aan bij de wet van 8 december 1992 en stelt dat de werkgever een werknemer mag controleren wanneer hij denkt dat de kwaliteit van het werk daalt, maar enkel wanneer hij de betrokkenen op voorhand op de hoogte brengt, wat het doel en de duur van de controle is. De gegevens mogen ook maar maximaal één maand bewaard worden.

Belangrijk om te onthouden dat de werkgever zijn controles allereerst niet op één persoon mag fixeren, want de gegevens moeten anoniem blijven. Pas wanneer hij misbruik vermoedt, mag hij een werknemer gaan controleren maar hij moet deze eerst op de hoogte stellen van de controle, samen met het doel en de duur ervan.

Internationale wetgeving

Artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens (EVRM) beschermt het recht op eerbiediging van privéleven. familie- en gezinsleven (Counsil of Europe, 09.2002). Dit artikel stelt dat er geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht maar het recht op privacy is niet onbeperkt; in de tweede paragraaf van het artikel staan voorwaarden waaronder inmenging is toegelaten. Hieraan hangen ook voorwaarden aan vast. Zo moet de werknemer op voorhand zijn toestemming geven voor de inmenging in zijn privacy, bij elke inmenging moet deze toestemming opnieuw gegeven worden.

Ook het Internationaal verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (BUPO) uit 1966 is van belang. Net zoals het verdrag van EVRM, stelt artikel 17 dat "niemand mag onderworpen worden aan willekeurige of onwettige inmenging in zijn privé leven, zijn gezinsleven, zijn huis en zijn briefwisseling, noch aan onwettige aantasting van zijn eer en goede naam". Punt twee stelt dat "eenieder recht heeft op bescherming door de wet tegen zodanige inmenging of aantasting" (Vormen, 12.12.2009).

Een kanttekening die bij deze wetgevingen gemaakt kan worden is dat de scheiding tussen professioneel en niet-professioneel internetgebruik vaak erg vaag is. Een werknemer kan bijvoorbeeld surfen naar een website in verband met zijn werk, maar op die website kunnen ook andere niet-werkgerelateerde dingen staan. De scheidingslijn is dus moeilijk te trekken. Een andere kanttekening is dat de scheiding tussen werk en privéleven ook steeds vager wordt. Telewerken, het thuiswerken, zorgt ook voor een vage onderscheiding tussen werk en privéleven (van der Ploeg & De Mul, 2001, p.41).

Hoofdstuk 2: Termen over het internetgebruik op het werk

Verschillende auteurs hebben het fenomeen van het persoonlijk internetgebruik al onderzocht. Uit deze onderzoeken zijn vele termen en conclusies ontstaan, waardoor er soms een verwarrend beeld ontstaat over de verschillen. In hoofdstuk 2 worden de termen en definities weergegeven per categorie.

Definities van het persoonlijk internetgebruik

Er is al veel onderzoek gebeurd naar het persoonlijk internetgebruik op het werk. Er zijn twee grote stromen in het onderzoek naar dit onderwerp. De eerste stroming is vanuit het opzicht dat het persoonlijk internetgebruik op het werk voor voordelen zorgt, zowel voor de werkgever als werknemer. Het is een "banana time", een korte pauze waardoor de productiviteit van de werknemer kan stijgen en zo positieve gevolgen heeft voor de werkgever. De tweede stroom van onderzoeken stelt dat het persoonlijk internetgebruik op het werk zorgt voor een daling van de productiviteit. De werknemers houden zich bezig met andere taken dan hun werktaken, waardoor de productiviteit daalt, wat dus resulteert in slechtere resultaten voor het bedrijf (Anandarajan, Paravastu & Simmers, 2006, p.325).

Vele auteurs verklaren het persoonlijk gebruik van het internet in termen van de ontevredenheid en gevoel van onbehagelijkheid van de werknemer (Z. Lee, Lee, & Kim, 2004 en Teo, & Loo, 2002). De niet-productieve activiteiten zoals surfen en het persoonlijk e-mailgebruik worden ook vaak gezien als voorbeelden van afwijkend gedrag op de werkvloer, maar er bestaan ook destructieve vormen van computermisbruik, zoals sabotage en diefstal (Beugre, 2006, p. 227; Lim, 2002, p. 677).

Het afwijkend internetgebruik op het werk kent in de literatuur verschillende benamingen zoals internetmisbruik op het werk, non-work-related computing (NWRC) (Bock & Ho, 2009, p.124), cyberloafing en problematisch internetgebruik (Manhatanankoon, Anandarajan & Igbaria, 2004, p. 93). Cyberloafing staat voor elk bewust gebruik van het internet op het werk door de werknemers tijdens de werkuren, om naar niet-werk gerelateerde websites te surfen voor niet-werk gerelateerde doelen en toegang te krijgen tot niet-werk gerelateerde e-mail (Vivien, Thompson & Geok, 2002, p. 67; Bock & Ho, 2009, p. 125). Het persoonlijk webgebruik kan variëren van het te veel gebruik tot het dwangmatig gebruik (Garrett & Danziger, 2008, p.937; Anandarajan, 2002, p. 53; Seymour & Nadasen, 2007, p. 544-545; Anandarajan, Paravastu & Simmers, 2006, p. 325).

Cyberslacking is een andere Engelse term voor het internetgebruik op het werk (Anandarajan & Simmers, 2004; Z. Lee, Lee, & Kim, 2004; Lim, 2002). Vaak wordt deze term negatief gebruikt, omdat het wijst op het vrijwillig gebruiken van de werkcomputer voor niet-werk gerelateerde doeleinden, die vaak niet toegelaten zijn door de werkgever. Tijd is vaak de belangrijkste bron van een bedrijf en door het verkeerd gebruik van de werkcomputer, verspilt men dus de aangereikte bronnen van de werkgever (Whitty & Carr, 2006, p.237). Een synoniem voor cyberslacking is junk computing (Bock & Ho, 2009, p. 125).

Cybermoonlighting is een nieuwere trend waarbij de werknemers de werkuren gebruiken om geld en prijzen te winnen via het internet (Mastrangelo, Everton, & Jolton, 2006, p.738).

Cyber-harassment (Whitty & Carr, 2006, p. 237) staat voor het pesten of kwellen van mensen door het versturen van obscene of haatgetinte e-mails met de bedoeling om de ontvangers te bedreigen of af te schrikken. Ook e-mails die andere kwetsende of aanvallende inhoud bevatten, zoals sexuele of racistische inhoud, behoren tot dit type van het verkeerd gebruik van het internet op het werk. Opvallend is dat de e-mails niet noodzakelijk door collega's gestuurd worden, ze kunnen ook door externe mensen gestuurd worden. Daarenboven wordt spam ook een groter probleem. Spam ........ Het maken en lukraak verzenden van verschillende e-mails behoort dan tot netiquette.

Wat opvalt uit deze termen is dat de gebruiker vaak ook anderen stoort met zijn persoonlijk internetgebruik op het werk. Hij stoort de andere werknemers, kan ze irriteren en zoals bij cyber-harassment kan hij ze zelfs pesten. Wanneer de werknemer spam doorstuurt naar anderen, zorgt hij ervoor dat zij het slachtoffer worden van tijdverlies, aangezien ze deze ongewenste mail moeten onderscheiden van belangrijke mails en daarna verwijderen. Whitty en zijn collega (2006, p.238-239) maken hierbij ook een bemerking dat vooral vrouwen angst kunnen ontwikkelen voor het gebruik van het internet. Zij zijn vaker het slachtoffer van het intimidatie op het internet dan mannen, hierdoor vinden ze het internet niet veilig en zullen vrouwen minder tijd spenderen aan het surfen op het internet.

Soorten internetmisbruik

Indeling volgens activiteiten op het internet

Griffiths (2003, pp. 89-90) onderscheidt zes subtypes van het internetmisbruik op het werk. De belangrijkste is het "Internet activity abuse". Dit is het internetgebruik tijdens de werkuren voor het niet-werkgerelateerde doeleinden, zoals online gokken, winkelen en spelletjes spelen. Een tweede subgroep is de "cybersexual internet abuse", waarbij de gebruikers websites bezoeken voor cyberseks en pornografie tijdens de werkuren. Een derde soort misbruik is "online friendschip/relationship abuse" waarbij men vriendschappen online aangaat of onderhoudt tijdens de werkuren. "Online information abuse" is het vierde subtype, waarbij men de zoekmachines en databanken op het internet gaat misbruiken. Zo gaat de werknemer bijvoorbeeld op zoek naar werkgerelateerde informatie maar schakelt over naar zoektermen die hij in zijn persoonlijke omgeving kan gebruiken, zoals bijvoorbeeld zelfhulpgroepen en online therapie. "Criminal Internet abuse" en "Miscellaneous Internet abuse" zijn de laatste twee subtypes. Bij de eerste zoeken de werknemers mensen op het internet die ze dan gaan lastigvallen in de vorm van seksueel gerelateerd gedrag. Onder de laatste subtype vallen al de andere activiteiten die niet in de vorige subtypes gevat zitten, zoals het photoshoppen van iemand zijn hoofd op een naakt lichaam van iemand anders.

Bock en Ho (2009, p. 125) delen de internetactiviteiten op in vijf groepen: de internethandel zoals winkelen op het internet en de beurs volgen, persoonlijke communicatie, het surfen op het internet zoals internetnieuws lezen, het downloaden voor persoonlijke doeleinden en het spelen op het internet.

Indeling volgens productiviteit op het internet

Mastrangelo en collega's (2006, pp. 735-738) vonden dat er twee groepen computermisbruik zijn, die verschillen van elkaar en waar er dus andere beweegredenen voor zijn. Aan de hand van het ABCD model[4] vonden ze "Nonproductive Computer Use" als eerste groep en "Counterproductive Computer Use" als tweede. Onder de eerste groep valt al het niet-productieve computergebruik, waarbij de activiteiten niet-destructief zijn maar ook niet echt productief. De activiteiten hierbij zijn vooral voor sociaal contact (e-mail, chatten) en persoonlijke activiteiten (online shoppen, bankieren). De twee groep van computermisbruik is schadelijker voor het bedrijf omdat deze groep de activiteiten groepeert die in strijd zijn met de doelstellingen van het bedrijf, waarbij de werkgever in een legaal en financieel risico zitten. Uit de resultaten van hun onderzoek blijkt eveneens dat recente internettoegang en sneller internet op het werk (t.o.v. thuis) zorgt voor hoger computergebruik op het werk. Het eerste hangt samen met de eerste groep computergebruik, "counterproductive", het tweede met hogere nonproductive computergebruik. Ook de hoeveelheid jobs die de werknemer heeft, hangt samen met zowel counterproductive als nonproductive computergebruik. Vooral de individuele verschillen kregen de meeste steun. Oudere werknemers doen meer aan counterproductive computergebruik, mannen aan de twee soorten computergebruik, ook de nationaliteit Kaukasisch bleek een voorspeller voor meer counterproductive computergebruik. Ook deelnemers die hoger scoorden op dwangmatig computergebruik, gebruiken de computer meer voor tegenwerkende productieve en niet-productieve activiteiten.

Andere indelingen

Een onderzoek van Seymour en Nadasen (2007, pp. 551-553) wees uit dat wanneer de toegang tot het internet stijgt, stijgt de perceptie van de werknemer dat hij meer informatie en informatiegeletterdheid heeft. Andere bevindingen sluiten aan met bovenstaande studie. Zelfrechtvaardiging, de mate van internettoegang buiten het werk en de werkuren hebben ook een invloed op het webmisbruik, maar ze werden niet significant bevonden. Ook deze auteurs vonden enkelen significante trends m.b.t. demografische factoren. Het persoonlijk internet gebruikt stijgt, wanneer de leeftijd daalt, de internetervaring stijgt en de grootte van de firma daalt. Opvallend in deze studie is dat wanneer de supervisie van de manager stijgt, stijgt ook het persoonlijk internet gebruik. Dit is tegenstrijdig met de bevindingen van Greenfield en Davis (2002, pagina) want zij vonden dat supervisie als negatief wordt bevonden door de werkgevers.

De resultaten van een ander wetenschappelijk onderzoek van Mahatanankoon en collega's (2004, p.101) verklaarden een andere indeling van het persoonlijk internetgebruik op het werk. Zij vonden drie dimensies, namelijk het persoonlijk internetgebruik op het werk dat samenhangt met e-commerce (elektronische handel), een dat samenhangt met informatie opzoeken en bekijken en een dimensie van persoonlijk internetgebruik dat verwant is met interpersoonlijke communicatie. De eerste twee dimensies leiden tot het surfen naar niet-werkgerelateerde websites, voor de laatste dimensie werd er weinig steun gevonden, omdat je minder andere websites nodig hebt om aan interpersoonlijke communicatie te doen. Bij het winkelen online, zal men meer andere websites bezoeken zoals entertainmentwebsites.

Kenmerken van internetgebruikers

Persoonlijke kenmerken van de internetgebruiker

Persoonlijke en/of sociale kenmerken van de werknemer zijn belangrijke elementen die het persoonlijk internetgebruik kunnen verklaren.

Het algemene computer- en internetgebruik werd onderzocht in Amerika door de auteurs Hipple en Kosanovich (2003, p26-30). Zij vonden een paar algemene kenmerken rond dit thema. Werknemers in een manager of professionele functie en werknemers in een technische, administratieve en verkoopfunctie gebruiken de computer en het internet veel meer dan in andere functies. 80% van de managers en professionelen gebruiken de computer, waarvan 65% het internet gebruikt. 70% van de tweede groep van veelgebruikers gebruikt de computer, maar hun internetgebruik ligt wel lager, ongeveer de helft van deze groep surft op het internet. In een onderzoek van Garrett en Danziger (2008, p. 290) kwam men tot de constatering dat de werkstatus van de werknemer een belangrijke rol speelt in het veelvuldig gebruik van het internet op de werkvloer. Zo blijkt dat vooral de werknemers met een hogere werkstatus, zoals managers, meer gebruik maken van het internet voor persoonlijk gebruik dan de werknemers met een lagere werkstatus. Een andere studie bevestigt dit. Het zijn vooral de kaderleden en werknemers met een hoge positie (managers) die aan cyberslacking doen. Managers hebben het gevoel dat hun job erg stressvol is en het internet biedt hen hierbij de mogelijkheid om even te ontspannen zonder dat ze hun bureau hoeven te verlaten. Daarenboven komt ook dat ze een grote hoeveelheid autonomie hebben en (bijna) niemand hen controleert. (Ugrin, Pearson & Odom, 2007, pp.86-87).

De resultaten voor leeftijd verschillen van studie tot studie. Hipple en Kosanovich (2003, p26-30) ondervonden dat zowel jonge als oudere werknemers de computer en het internet het minst vaak gebruiken. Slechts een derde van de groep 16- tot 24- jarigen en de groep werknemers ouder dan 65 jaar gebruiken de computer op het werk. Het internetgebruik ligt bij deze werknemers nog lager, namelijk een op vijf gebruikt het internet op het werk. Een verklaring kan hier zijn dat deze groepen niet erg aanwezig zijn op de arbeidsmarkt. Een andere studie vond dat weer dat de jongere werknemers wel grote gebruikers zijn van het internet voor persoonlijke doeleinden. Vooral de groep van 20 tot 29 jaar zijn grote cyberslackers, zij beweren dat ze zich al van 's morgens aanmelden op instant messengers om te chatten, en dit gedurende de hele dag verder doen. Jongere mensen aanvaarden in het algemeen sneller (nieuwe) technologieën en ze gebruiken deze ook vaker voor niet-werk gerelateerde doeleinden (Ugrin e.a., 2007, p. 86)

Ook op vlak van geslacht en ras kan er een onderscheid gemaakt worden, maar ook deze resultaten verschillen per studie. Vrouwen gebruiken de computer en het internet vaker dan mannen op de werkvloer, 60% tegen over een kleine 50% voor het computergebruik. Het verschil tussen het internetgebruik is wel kleiner, de mannelijke werknemers gebruiken met hun 35%, 5% minder het internet dan de vrouwen. Ook het blanke ras gebruikt de computer en het internet vaker op het werk dan het zwarte ras (Garrett en Danziger, 2008, p. 290). De studie van Urgrin (e.a., 2007, p. 86) spreekt dit echt tegen en vindt dat men niet over stereotypes kan praten. Zij vinden geen verschil in geslacht en stellen dus dat zowel mannen als vrouwen even grote gebruikers zijn van het internet voor persoonlijke doeleinden op het werk.

Tot slot voor de demografische kenmerken, is er het educatieniveau. De werknemers die een hogere studie hebben gedaan (hogeschool en/of universiteit) en dus een groter educatieniveau hebben, gebruiken de computer en het internet vaker dan degenen die minder gestudeerd hebben. De frequentie van het persoonlijk internetgebruik stijgt eveneens met de mate waarin de werknemer veel autonomie krijgt en de grootte van het inkomen. (Garrett en Danziger (2008, p. 290).

Tevredenheid op het werk

In een ander onderzoek van deze twee auteurs (Garrett en Danziger, 2008, p.952) gingen ze op zoek naar factoren die voor ontevredenheid op het werk zorgen. Werknemers die van computergebruik een gewoonte hebben gemaakt door al het routinewerk, zijn meer geneigd om meer te surfen op het internet voor persoonlijke doeleinden. Door de routine zijn ze gemotiveerd om deze technologie te gebruiken en zal dit gedrag zich sneller voordoen in de toekomst. Ook de werknemers die het nut van het internet inzien, zullen sneller surfen naar niet-werkgerelateerde websites. De beperkingen die het bedrijf oplegt in verband met internetgebruik, samen met het engagement van de werknemer voor het bedrijf, zorgen ervoor dat werknemers minder snel zal surfen op het werk voor persoonlijke doeleinden. Logischerwijze, hoe meer beperkingen het bedrijf oplegt, hoe moeilijker het ook wordt om te surfen op het net en hoe meer engagement de werknemer heeft voor zijn bedrijf, hoe minder hij de nood zal voelen om op het internet te surfen. Opmerkelijk in dit onderzoek is dat factors die voor onvrede op het werk zorgen, zoals stress en ontevredenheid, geen significante voorspellers zijn voor het persoonlijk internetgebruik op het werk.

Een opmerkelijke bevinding is dat werknemers die een eigen computer hebben, samen met de werknemers die niet op de hoogte zijn dat er aan computercontrole op het werk gedaan wordt, meer tevreden zijn over hun job (Mastrangelo et al., 2006, p.738).

Type werknemer

In dit zelfde onderzoeksdomein kwamen de auteurs Anandarajan, Paravastu en Simmers (2006, p. 328-332) tot een andere indeling van gebruikers. Ze vonden drie profielen van gebruikers, nadat de respondenten moesten antwoorden op verschillende stellingen. Het eerste profiel is de "Cyber-bureaucrat". De werknemers die in dit profiel passen zijn van mening dat persoonlijk internetgebruik niet thuishoort op de werkvloer. Ze vinden dat het leidt tot inefficiëntie en dat het zorgt voor het vastlopen van het netwerk, een gevaar is voor de veiligheid op het netwerk en voor de privacy. Het moet dus gecontroleerd worden en het gebruik moet vastgelegd worden in een beleid. "Cyber-humanist" is de tweede vorm waarbij de werknemers een algemeen positieve houding hebben ten opzichte van het persoonlijk internetgebruik op het werk. Ze zijn van mening dat de werkgevers hun werknemers moeten vertrouwen en vrijlaten, want korte pauzes op het internet kunnen positieve gevolgen hebben voor de productiviteit. Deze groep mensen zien het persoonlijk internetgebruik op het werk dus als een pluspunt, waarbij zelfregulering een belangrijke factor is. Het laatste profiel is dat van de "Cyber-adventurer", waarbij het algemene idee is dat de werknemers in discretie het web kunnen gebruiken voor persoonlijke doeleinden op het werk. Er zijn dus geen regels vastgelegd omdat ze vinden dat werkgevers hen de vrijheid moet geven om hun eigen verder te ontplooien via het web, waardoor ze een betere kennis krijgen, wat dan weer positief is voor de werkgever. Ze zien zichzelf vooral positief in en zijn van mening dat ze zelf de risico's van het net kunnen ontwijken.

De studie van Stanton (2002, p.56-58) vergeleek de werknemers (ingenieurs) die regelmatig surfen op het werk met de werknemers die dit bijna niet of nooit doen. De frequente surfers scoorden significant hoger op werktevredenheid, tevredenheid over het loon, tevredenheid met promotiemogelijkheden en steun door het bedrijf. Daarbij vonden ze ook dat ze meer waardering kregen voor hun verwezelijkingen, algemeen stelden de auteurs dat de frequente internetgebruikers blijer zijn dan de werknemers die (bijna) niet surfen op het werk.

Andere gerelateerde uitkomsten aan persoonlijk internetgebruik

Hoe meer tijd een werknemer spendeert aan niet-werk gerelateerd internetgebruik, hoe lager de werkprestaties zullen zijn. Niet-werk gerelateerde activiteiten kunnen ook offline gebeuren, zoals het praten met collega's, lange pauzes nemen en kranten lezen. Wanneer werknemers meer tijd spenderen aan deze offline activiteiten, zal ook hier de werkprestatie afnemen. Een verklaring voor de bevinding van de daling van productiviteit bij niet-werk gerelateerde internetactiviteiten is dat het internet de volledige aandacht vereist. Wanneer de aandacht wordt afgeleid naar een andere activiteit, zal de aandacht daar onmiddellijk naar getrokken worden en zal het ook langer duren om zich terug te concentreren op het oorspronkelijke werk. Dit leidt dan tot dalende productiviteit (Bock & Ho, 2009, p.127).

Redenen voor het internetgebruik

Redenen voor de werknemer

Er zijn verscheidene redenen waarom het internet gebruikt (en misbruikt) wordt op het werk. Eerst en vooral is het internet zijn saai imago kwijt. Iedereen ziet er de voordelen van in, waardoor de online activiteiten als onschuldig wordt aanschouwd. Eenvoudige redenen zoals opportuniteit en toegang zijn belangrijk want hierdoor gaat de deur naar het internet open. Het internet is ook relatief goedkoop, en als een werknemer op het internet surft, betaalt de werkgever de internetkosten. Anonimiteit is een andere motivatieredenen, waardoor de werknemer zijn zin kan doen zonder dat de werkgever hem kan opsporen. Ook het gemak dat het internet biedt is een andere beweegreden, je kan er gemakkelijk en snel andere mensen ontmoeten terwijl je aan je bureau zit. Je kan dus wegvluchten uit je huidige situatie op het werk, naar een andere (virtuele) wereld, waar je bepaalde behoeftes kunt vervullen door bijvoorbeeld seksuele prikkelingen. Op het internet heerst er ook een gevoel van ongeremdheid, je kan er doen wat je wilt en mensen geven zich sneller emotioneel bloot op het net. De werkdagen worden steeds langer en de werknemers moeten flexibel zijn, waardoor ze meer tijd op het werk doorbrengen en minder vrije tijd hebben. Werknemers gebruiken dan het internet op het werk om sociale contacten te leggen met andere mensen, omdat ze de tijd niet meer hebben om rustig op café te gaan en daar de contacten te zoeken. Er is dus een nieuwe manier om het sociale leven te onderhouden via het internet (Griffiths, 2003, pp. 90-91 en Seymour & Nadasen, 2007, p. 544). De werknemers zijn niet altijd even gelukkig met de langere werkuren, waardoor er een breuk ontstaat in de band tussen werknemers en werkgevers. De werknemers vinden misschien dat ze te weinig worden beloond voor hun werk, waardoor de werknemer acties kan ondernemen om zo zijn moeite te compenseren met een beloning zoals het persoonlijk internetgebruik op het werk.

Het internet is dus een grote speelplaats geworden, waar de werknemers uit zoveel ontspanningsmogelijkheden kunnen kiezen. Activiteiten zoals kranten online lezen, reizen boeken, online winkelen en zelfs zoeken naar andere jobs zijn enkele voorbeelden van het persoonlijk internetgebruik op het werk (Mahatanankoon, Anandarajan & Igbaria, 2004, p. 93).

Redenen voor de werkgever

Het internet biedt niet enkel voordelen voor de werknemers, ook de werkgever hebben baat bij dit medium. Het internet biedt namelijk een enorme bron van informatie aan, waar iedereen online kan communiceren met elkaar. Het is een medium waardoor informatie en communicatie zeer snel en vlot kan verlopen, wat nodig is in de bedrijfswereld, waar het motto 'time is money' geldt. Een werkgever kan het internetgebruik bij zijn werknemers zien als iets positief. Een werknemer gebruikt het als een korte pauze, waar hij zich even mee kan ontspannen en daarna met volle moed terug kan verder werken.

Oplossingen om het internetgebruik te controleren

Er bestaan twee grote visies op de controle op het internetgebruik van werknemers. De eerste visie is de X-visie waarbij men vanuit gaat dat werknemers gecontroleerd moeten worden en dat het het recht is van de werkgever om dit te doen. De andere visie is de Y-visie waarbij men vindt dat controle op het internetgebruik van werknemers zinvol kan zijn en dat de werknemers deze controle accepteren omdat degenen die enkel werkgerelateerde dingen doen, niets verkeerd doen en dus ook niets te verliezen hebben (Urbaczewski & Jessup, 2002, p. 81).

Of een bedrijf al dan niet maatregelen neemt tegen het persoonlijk internetgebruik op de werkvloer, hangt van bedrijf tot bedrijf af. Elk bedrijf heeft zijn eigen motivaties om dit te doen. Uit onderzoek van Robert Half Technology (X, 23.10.2009) blijkt dat er toch al vaak maatregelen getroffen worden door de werkgevers. 54% van hen vindt dat het online plaatsen van persoonlijke berichten niet thuishoren op de werkvloer. Een vijfde van werkgevers vindt dat sociale netwerksites bezoeken tijdens de werkuren wel mag, zolang het voor professionele doeleinden gebruikt wordt. Hierdoor kunnen de werkgevers dus beperkingen opleggen, zoals het blokkeren van bepaalde websites en/of trefwoorden.

Er bestaan enkele elektronische monitormiddelen zoals een logboek op de computer met alle gesprekken opgeslagen die via het chatten gevoerd zijn, de webactiviteiten opslaan de computer, e-mails controleren, screen shots nemen van het scherm (Young & Case, 2004, p. 106), aanloggen met een gebruikersnaam zodat het overzichtbaar is wie op welke computer heeft gesurft en tot slot een beperking van zoekresultaten en webpagina's. Bij het laatste beperkt de werkgever bepaalde termen of websites in de computer zodat de werknemers niet op deze websites kunnen surfen. Volgens een onderzoek in de Verenigde Staten in 2001 bij 1627 managers, bleek dat ongeveer de helft van de werkgevers de e-mails van de werknemers controleert, ongeveer 60% houdt de internetactiviteiten in de gaten en bijna 90% van hen zegt dat ze hun werknemers op één of andere manier controleren (Young & Case, 2004, p. 106). Werkgevers grijpen ook vaker in op vlak van bestraffingen, zoals verbale waarschuwingen en geschreven berispingen om het persoonlijk internetgebruik van de werknemers aan banden te leggen (Mahatanankoon et al., 2004, p.93).

In onderstaande tabel zijn de resultaten weergegeven van de studie van Young en Case (2004, p. 108), waarbij ze onderzochten welke toepassingen de werkgevers gebruiken om het persoonlijk internetgebruik van hun werknemers te controleren. Noot hierbij is dat er gebruik is gemaakt van verschillende onderzoeken, waardoor de aantallen verschillen van vraag tot vraag.

Huidige toepassingen van werkgevers om internetgebruik te controleren

Ook de grootte van het bedrijf is van belang bij deze toepassingen. Training van management, om zo beter om te gaan met maatregelen en werknemers, was het meeste gebruikt in kleine bedrijven (60%). Middelgrote bedrijven kozen het meest voor een beleid van internetgebruik (36%) en in grote bedrijven werd een training van het management het meeste gekozen (30%) (Young & Case, 2004, p. 108-110).

Ander onderzoek (Urbaczewski & Jessup, 2002, p.81-83) toont aan dat elektronische monitoring op werknemers op twee manieren kan gebeuren. De eerste manier is het geven van feedback, waarbij de werknemers gecontroleerd worden door hen feedback te geven over hun prestaties en suggesties te geven ter verbetering van de prestaties. Een tweede mogelijkheid is toezicht houden met behulp van controle. De werkgevers zorgen voor regels en voorschriften zodat de werknemers gehoorzaam worden aan hen. Dit kan door het gebruik van camera's en badges die nodig zijn voor toegang tot bepaalde informatie.

Een stapje verder in de controle op het internetgebruik bij werknemers, is preventief maatregelen nemen. Het identificeren van toekomstige werknemers om te onderzoeken of ze problematisch internetgebruikers zijn kan een stap zijn om de werkomgeving vrij van overvloedige internetgebruikers te houden. Davis (e.a., 2002, p.338) stelt in zijn onderzoek vast dat problematisch internetgebruik vooral voorkomt bij mensen die minder controle over hun impulsen hebben, mensen die eenzaam en depressief zijn, mensen die sociaal comfort op het internet zoeken en op het internet surfen als afleiding. De werkgevers kunnen dus preventieve maatregelen nemen door de kandidaten te screenen op deze factoren om zo te controleren of ze tekenen vertonen die kunnen leiden tot problematisch internetgebruik. Maar misschien is dit een stapje te ver. Men heeft nooit volledige zekerheid dat de testresultaten wel juist zijn en de test is discriminerend want niet iedereen met deze symptomen neigt tot problematisch internetgebruik.

Langs de ene kant kan monitoring van de werknemers kan ook wel een negatieve invloed hebben op de relatie tussen werknemer en werkgever. Het moraal van de werknemer kan dalen waardoor er minder werktevredenheid zal zijn waardoor de omzet van het bedrijf kan dalen. Het kan de werknemer ook zo ver krijgen dat hij juist meer illegale praktijken zal uitvoeren, zoals downloaden van auteursrechten en kinderpornografie, zodat de werkgever aansprakelijk gemaakt kan worden. Soms doet deze controle van de werkgever zelfs de werknemer van werk veranderen. Maar langs de andere kant blijkt dat sommige werknemers de controle wel appreciëren en dat ze begrijpen dat de werkgever zijn bedrijf op een goede manier wil beheersen. De angst voor controle komt vooral uit hoeveel informatie de werkgever over de werknemer wil verzamelen(Stanton & Weiss, 2000, p. 434).

In de Verenigde Staten zijn er al gevallen bekend waarbij een werknemer was ontslagen op basis van computermisbruik op de werkvloer, maar de werknemer heeft dan het bedrijf aangeklaagd omdat ze de werknemer onrechtmatig ontslagen hadden door de foute term "internet verslaving" te gebruiken, dat eigenlijk verwijst naar een onbekwaamheid (Young & Case, 2004, p. 106).

Stanton (e.a., 2000, pp. 433-435) deed een bevraging bij werknemers en werkgevers en kwam tot enkele belangrijke conclusies. Zo blijkt dat de nieuwe mogelijkheden van controletechnieken (zoals het controleren van e-mail en het internet) ervoor kunnen zorgen hoe mensen zich gedragen op de werkvloer. Verschillende respondenten in hun studie zeiden dat ze hun niet-productieve gedrag op het werk, zoals het niet-werk gerelateerde computergebruik, zouden veranderen door de komst van nieuwe controletechnologieën. Uit het onderzoek bleek dat de werknemers wel kennis hebben tot wat een organisatie in staat is op vlak van controle. Ze weten dus eigenlijk wel wat geschikt en niet geschikt is, maar zolang er niet gecontroleerd wordt, blijven ze hun eigen gang gaan. Dus als de organisatie begint te controleren, dan zullen de werknemers hun gedrag wel aanpassen. De studie van Urbaczewski (e.a., 2002, p.82) bevestigt dit. Werknemers die meer op de hoogte zijn van de elektronische monitoring, zijn meer gefocust op hun taken dan degenen die niet op de hoogte zijn van de elektronische monitoring. Aan de andere kant waren deze mensen wel algemeen minder tevreden dan de andere groep. Men kan concluderen dat elektronische monitoring in sommige contexten beter is dan in andere en dat het dus aan de organisatie zelf uit te maken is, hoe hun werknemers staan tegenover de controle op het persoonlijk internetgebruik.

Concluderend is het in eerste instantie belangrijk dat de werknemer de druk van het werk verlicht, waardoor de werknemers minder nood heeft aan stressverlichting, dat dan leidt tot minder persoonlijk internetgebruik op het werk. Als de stress dan toch niet verminderd, kan de werkgever voor andere manieren zorgen om de stress te verlichten. Lukt ook dit niet, dan zal de werkgever toch mogelijkheden moeten ontwikkelen om de werknemers te controleren. Monitoring is dus niet de eerste stap die de werkgever kan ondernemen om het persoonlijk internetgebruik bij zijn werknemers in te perken.

De vraag blijft natuurlijk wat het belangrijkste is, de privacy van de werknemers of de veiligheid van het bedrijf.

DEEL 2: ONDERZOEK NAAR DE CONTROLE VAN HET INTERNETGEBRUIK OP HET WERK

Deel twee van deze masterproef staat in het teken van het uitgevoerde onderzoek en de resultaten hiervan.

In hoofdstuk 4 wordt de toegepaste methodologie van het onderzoek nader verklaard.

De onderzoeksresultaten worden in het vijfde hoofdstuk besproken.

In het derde en laatste deel van de masterproef wordt een conclusie getrokken.

Hoofdstuk 4 : Methodologie

Aan de hand van diepte-interviews trachten we een beschrijving te geven wat de meningen zijn over de controle op het internetgebruik op het werk. In dit hoofdstuk wordt het onderzoek concreet uitgelegd. Het doel, de onderzoeksvraag, het type onderzoek en een beschrijvende inhoudsanalyse worden weergegeven.

Doel van het onderzoek

Het hoofddoel van het onderzoek is nagaan wat Vlaamse werknemers en werkgevers vinden van de controle op het internetgebruik op het werk. In de literatuurstudie is er al nagegaan welke motivaties er bestaan om deze controle uit te voeren. Maar omdat het internet een redelijk nieuw fenomeen is, is er nog niet uitgebreid onderzoek gebeurd naar dit thema. Daarom werden Vlaamse werknemers en werkgevers bevraagd naar de motivaties en gevoelens bij deze controle. We trachten hierbij de bevindingen van de literatuurstudie te koppelen aan onze vragen, om zo een uitgebreid beeld te krijgen over de internetsurfer op het werk en hoe de controle uitgevoerd wordt. Verder proberen we bepaalde karakteristieken te onderzoeken die in de literatuurstudie voorkwamen, om zo te ontdekken of onze resultaten met die van de auteurs uit de literatuurstudie overeenkomen.

Onderzoeksvraag

In het onderzoek hebben we ons gericht op volgende hoofdvraag:

Wat vinden Vlaamse werknemers en werkgevers over persoonlijk internetgebruik op het werk?

Vertrekkende van deze vraag, konden we zo dieper doorvragen over motieven, gedachten, bevindingen en zo verder. Het interview was volgens het type van een trechtermodel; eerst werden er algemene vragen gesteld, daarna werd er steeds dieper op de probleemstelling ingegaan.

Type onderzoek

Er is voor een kwalitatief onderzoek gekozen omdat dit de mogelijkheid geeft om dieper op de probleemstelling in te gaan. Aan de hand van een interview werd er een kleine steekproef gedaan van 20 mensen, 10 werkgevers en 10 werknemers, om zo de beweegredenen in kaart te brengen. De respondenten komen uit bedrijven over heel Vlaanderen.

Beschrijvende inhoudsanalyse

Zowel werknemers als werkgevers werden bevraagd. Ze kregen een aantal dezelfde algemene vragen, maar dan verschilden de vragen volgens titel (werknemer-werkgever).

Algemene vragen

Demografische kenmerken

Geslacht

Bij deze vragen gingen we dieper in op het geslacht van zowel de werkgever als de werknemer. We vroegen ons af of er een verschil is in controle volgens het geslacht van de werkgever en of er een verschil is in het internetgebruik volgens geslacht.

Leeftijd

Bij het subthema leeftijd werd er onderzocht of er een verschil in leeftijd is bij de werknemers die gecontroleerd worden. Worden jongeren bijvoorbeeld sneller gecontroleerd dan ouderen?

Anciënniteit

We gingen ook na of anciënniteit een rol speelt bij de controle. Wie wordt sneller gecontroleerd, nieuwe werknemers of mensen die er al jaren werken?

Hiërarchie

Een ander vraag was in verband met de hiërarchie tussen werknemers en werkgevers. Loopt de controle op werknemers door, in het hele bedrijf of stopt de controle op een bepaald niveau? Wordt een kaderlid misschien minder snel gecontroleerd dan een bediende?

Contract

Een laatste algemene vraag richt zich tot het contract van de werknemers. Is er een verschil in controle tussen werknemers die deeltijds werken of voltijds werken?

Verloop controle

We hadden grote interesse in het verloop van de controle, hoe vaak gebeurt deze en op welke manier? Is het een dagelijkse controle, een wekelijkse of een andere duur en wat wordt er net gedaan tijdens zo'n controle, bekijkt men de logboeken of welke acties onderneemt men?

Type bedrijf

Tot slot is er onderzocht of het type bedrijf (KMO's, grote bedrijven, ICT-afdeling of niet) meespeelt in de keuze van controles op het internetgebruik bij de werknemer.

Werknemers

De eerste doelgroep bestaat uit de werknemers van het bedrijf. Er werd altijd 1 werknemer uitgekozen en ondervraagd per bedrijf. Bij de bevraging werden volgende punten aandacht bekeken:

Taakinhoud

Welke taken moet de werkgever uitvoeren volgens zijn contract.

Beweegredenen

Wat zijn de beweegredenen tot het persoonlijk internetgebruik op het werk? Wat is toelaatbaar persoonlijk internetgebruik en wat is een brug te ver?

Internettoegang thuis

Onderzoek (Mastrangelo en collega's, 2006, pp. 735-738) heeft uitgewezen dat de internettoegang bij iemand zijn thuis ook een rol speelt in het persoonlijk internetgebruik op het werk. Ook de snelheid van het internet thuis werd bevraagd.

Aantal uren per dag op het internet

We ondervragen mensen die internettoegang hebben op het werk, maar dit wil niet zeggen dat ze ook de hele dag op het internet surfen. Daarom is het belangrijk om te weten hoeveel uren per dag ze op het internet zitten. Daarbij vragen we ook hoeveel tijd (minuten/uren) van dat aantal ze spenderen aan het persoonlijk internetgebruik.

Anderen terechtwijzen

Wijzen de werknemers andere werknemers terecht indien ze getuige zijn van hun misbruik? En vindt de werknemer dat hij zelf terechtgewezen mag worden of niet?

Type websites

Een ander aspect dat we bevroegen was het type website dat door de werknemer bezocht wordt. Zijn het entertainmentwebsites, nieuwssites of andere websites?

Downloaden

Download de werknemer muziek of andere dingen van het internet?

Meningen over huidig internetbeleid

Tot slot is het interessant om te weten wat de werknemer denkt over het huidige internetbeleid op zijn werk. Is de werknemer het hiermee eens en houdt hij zich hieraan?

Werkgever

Beweegredenen

De belangrijkste vraag bij de werkgever is de vraag over de beweegredenen voor een internetbeleid. Waarom is hij er voor of er tegen? Waarom voert hij al dan niet een internetbeleid in?

Beleid

Is er een beleid of zijn er regels i.v.m. het persoonlijk internetgebruik op het werk? Wat wordt er ondernomen? Wat mag, wat mag niet?

Genomen maatregelen

Heeft de werknemer reeds maatregelen getroffen bij het betrappen van personeel bij overmatig persoonlijk internetgebruik?

Kennis over wetgeving

We toetsen ook of de werkgever enige kennis heeft over de huidige wetgeving. Zo willen we te weten komen of hij legaal zijn werknemers controleert.

Literatuurlijst

  • Anandarajan, M. (2002). Internet abuse in the workplace. Communication of the ACM, 45(1), pp. 53-54.
  • Anandarajan, M.; Paravastu, N.; & Simmers, C. A. (2006). Perceptions of personal web usage in the workplace: A Q-methodology approach. Cyberpsychology & Behavior, 9(3), pp. 325-335.
  • Backhouse, J.; & Dillon, G. (1995). Managing Computer Crime: A research outlook. Computers & Security, 14, pp. 645-651.
  • Bock, G.; & Ho, S.W. (2009). Non-work related computing (NWRC). Communications of the ACM, 52(4), pp. 124-128.
  • CNT-NAR (26.04.2002). Collectieve Arbeidsovereenkomst nr. 81. [09.12.2009, CNT-NAR: http://www.cnt-nar.be/N1I.htm)
  • Counsil of Europe (09.2002). Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden zoals gewijzigd door Protocol Nr. 11. [09.12.2009, European Court of Human Rights: http://www.echr.coe.int/NR/rdonlyres/655FDBCF-1D46-4B36-9DAB-99F4CB59863C/0/DutchN%C3%A9erlandais.pdf]
  • Davis, A.R.; Flett, G.L.; & Besser, A. (2002). Validation of a new scale for measuring problematic internet use: implications for pre-employment screening. Cyberpychology & Behaviour, 5(4), pp. 331-345.
  • De Standaard (23.10.2009). Helft werkgevers bant Facebook en Twitter. [27.11.2009, Jobat: http://www.standaard.be/artikel/detail.aspx?artikelid=JOBAT_1830&word=sociale+netwerksite]
  • Everett, A.M.; Wong, Y.; & Paynter, J. (2004). Balancing employee and employer rights: an international comparison of e-mail privacy in the workplace. Journal of Individual Employment Rights, 11(4), pp. 291-311.
  • Garrett, R. K.; & Danziger, J. N. (2008). On cyberslacking: workplace status and personal internet use at work. Cyberpsychology & Behavior, 11(3), pp. 287-292.
  • Garrett, R. K.; & Danziger, J. N. (2008). Disaffection or expected outcomes: Understanding personal Internet use during work. Journal of Computer-mediated Communication, 13(4), pp. 937-958.
  • Greenfield, D. N.; & Davis, R. A. (2002). Lost in Cyberspace: the web @ work. CyberPsychology & Behavior, 5(4), pp. 347-353.
  • Griffiths, M. (2003). Internet abuse in the workplace: issues and concerns for employers and employment counselors. Journal of employment counseling, 40, pp. 87-96.
  • Hippie, S.; & Kosanovich, K. (2003). Monthly Labor Review, 2(), pp. 26-35.
  • Mahatanankoon, P.; Anandarajan, M.; & Igbaria, M. (2004). Development of a measure of personal web usage in the workplace. Cyberpsychology & Behavior, 7(1), pp. 93-104.
  • Mastrangelo, P. M.; Everton, W.; & Jolton, J. A. (2006). Personal use of work computers: distraction versus destruction. Cyberpsychology & Behavior, 9(6), pp. 730-741.
  • Senaat (04.03.2009). De Belgische Grondwet. [09.12.2009, Senaat: http://www.senate.be/doc/const_nl.html]
  • Seymour, L.; & Nadasen, K. (2007). Web access for IT staff: a developing world perspective on web abuse. The Electronic Library, 25(5), pp. 543-557.
  • Stanton, J. M. (2002). Company profile of the frequent internet user. Communications of the ACM, 45(1), pp. 55-59.
  • Stanton, J.M.; & Weiss, E.M. (2000). Electronic monitoring in their own words: an exploratory study of employees' experiences with new types of surveillance. Computers in Human Behavior, 16, pp. 423-440.
  • Ugrin, J.C.; Pearson, J.M.; & Odom, M.D. (2007). Profiling cyber-slackers in the workplace: demographic, cultural, and workplace factors. Journal of Internet Commerce, 6(3), pp. 75-88.
  • Urbaczewski, A.; & Jessup, L.M. (2002). Does electronic monitoring of employee internet usage work? Communications of the ACM, 45(1), pp. 80-83.
  • Vacature (13.12.2009). Internetgebruik op het werk. [16.12.2009, Vacature: http://www.vacature.com/art2700]
  • van der Ploeg, Y. H.;&LinkDe Mul, J.(2001). Internet en privacy: een inventarisatie van normatieve aspecten van toezicht op internetgebruik in de organisatie. België: /.
  • Vivien, L.; Thompson, T., & Geok, L.L. (2002). How do I loaf here. Let me count the ways. Communications of the ACM, 45(1), pp. 66-70.
  • Vormen (16.12.2009). Internationaal verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten, 1966. [16.12.2009, Vormen: http://www.vormen.org/informatie/downloads/BuPo.pdf]
  • Whitty, M. T.; & Carr, A.N. (2006). New rules in the workplace: applying object-relations theory to explain problem internet and email behaviour in the workplace. Computers in Human Behaviour 22, pp. 235-250.
  • Young, K. S.; & Case, C. J. (2004). Internet abuse in the workplace: new trends in risk management. Cyberpsychology & Behavior, 7(1), pp. 105-111.

Profiling Cyber-Slackers in the Workplace: Demographic, Cultural, and Workplace Factors.

Improving workers productivity and reducing internet abuse

The role of task characteristics and organization culture in non-work related computing (NWRC)

  1. "Een sociale netwerksite is een website waarbij de gebruiker een eigen profiel aanmaakt, om zo te linken aan profielen van anderen, die binnen hun sociaal netwerk liggen." Voorbeelden zijn Facebook, Twitter en Netlog (wikipedia)
  2. BSA, 12/02/2008, Een op drie werknemers koopt eindejaarsgeschenken on-line. (http://www.bedrijfsrisico.be/nieuws/?page=detail&id=39)
  3. BSA, 30/01/2008, Illegaal Softwaregebruik soms resultaat van ontwetendheid bij KMO's (http://www.bedrijfsrisico.be/nieuws/?page=detail&id=34)
  4. ABCDmodel staat voor het onderzoeken van Acces (toegang) tot computers/internet, Breaks (pauzes) tijdens het werk, Climate (organisatieklimaat) en Differences (individuele verschillen).

Please be aware that the free essay that you were just reading was not written by us. This essay, and all of the others available to view on the website, were provided to us by students in exchange for services that we offer. This relationship helps our students to get an even better deal while also contributing to the biggest free essay resource in the UK!