Inburgeringexamen

Inburgeringexamen

Dit zijn authentieke vragen zoals ze op inburgeringexamens worden gesteld. Je hebt 15 seconden per antwoord, en kunt daar niet op terugkomen.

1. De Troonrede wordt jaarlijks door de koningin voorgelezen, waarin de beleidsplannen van dat jaar. Wie stelt de beleidsplannen op?

a. De koningin
b. De ministers
c. Het parlement

2. Je verdient voor het eerst een salaris en hebt een bankrekening nodig. Hoe kom je aan een bankrekening?

a. Je gaat naar de bank toe
b. Je belt een bank op
c. Je werkgever regelt dit

3. Je hebt uit het land waar je vandaan komt je diploma's meegenomen. Waar kun je als werkzoekende je diploma's laten waarderen?

a. De IND, de Immigratie- en Naturalisatiedienst
b. Het gemeentehuis
c. Het CWI, het Centrum voor Werk en Inkomen

4. Mevrouw de Koning moet het na haar operatie rustig aan doen. Jaar man heeft het moelijk om werk, kinderen en huishouden te combineren. Wat kunnen zij het beste doen?

a. De kraamzorg bellen
b. In de krant een advertentie plaatsen voor een hulp
c. De thuiszorg bellen

5. Je bent vijf jaar in Nederland. Je wilt de Nederlandse nationaliteit verwerven. Waar kun je terecht voor informatie?

a. Bureau Nieuwkomers
b. Vreemdelingenpolitie
c. Gemeentehuis

à6. Je bent bezig je nieuwe huis schoon te maken. Je stuit op hardnekkig vuil. Kun je schoonmaakmiddelen mengen?

a. Soms
b. Nooit
c. Altijd

7. Naast je parttime baan verdien je 300 euro bij. Wat moet je doen?

a. Melden bij de Belastingdienst
b. Melden bij je werkgever
c. Niets

8. Je bent pas verhuisd. Je buren vragen of je langskomt. Wat kun je het beste doen?

a. Een kleinigheidje meenemen
b. Een cadeau meenemen
c. Niets meenemen

9. De leerkracht van de basisschool van je kind heeft gezegd dat Havo voor haar de beste schoolkeuze is. Wie beslist naar welke school je kind mag?

a. De ouders en het kind
b. De school voor Voortgezet Onderwijs
c. De Basisschool

10. Een auto, een fiets en een voetganger gebruiken dezelfde weg. De auto wil rechtsaf, de voetganger en de fiets rechtdoor. Wie moet er voorrang geven?

a. De auto geeft voorrang
b. De fietser en voetganger geven voorrang
c. De voetganger geeft voorrang

11. Je hebt een uitkering. Je ijskast is stuk, de bril van je kind is stuk, en je hebt een nieuw bankstel nodig. Kom je in aanmerking voor Bijzondere Bijstand?

a. Nee, niet voor alle kosten
b. Voor een deel van de kosten
c. Ja, voor alle kosten

12. Je zit op een terrasje en gebruikt een consumptie. Waar betaal je mee?

a. Bankpas en pincode
b. Chippen of contant geld
c. Overschrijvingskaart

13. Je woont al tien jaar in Nederland, maar bent niet genaturaliseerd. Aan welke verkiezingen mag je meedoen?

a. Geen enkele
b. Alle
c. Voor gemeente en stadsdeel

à14. Je staat in een telefoonautomaat en ontdekt dat je alleen kunt bellen met een telefoonkaart. Waar kun je een telefoonkaart kopen?

a. Postkantoor
b. Sigarenwinkel
c. Gemeentehuis

à15. Je kind plast in bed en heeft moeilijkheden op school. Waar kun je het beste naar toe?

a. Naar de huisarts
b. Naar het ziekenhuis
c. Naar het Riagg

16. Je krijgt van de Vreemdelingenpolitie te horen dat je het land uitmoet. Wie kan je helpen?

a. De Vreemdelingenpolitie
b. Een advocaat of een bureau voor rechtshulp
c. Maatschappelijk werk

17. Je gaat naar het gemeentehuis om een papier te halen. Je ziet dat er een bord met een nummer is, maar je ziet niemand achter de loketten. Wat doe je?

a. Gaan zitten
b. Een nummertje trekken
c. Naar de balie gaan

18. Je kunt nergens meer het papier van je verblijfsvergunning vinden. Waar meld je het verlies van je document?

a. De IND, De Immigratie- en Naturalisatiedienst
b. Vluchtelingenwerk
c. Bureau Nieuwkomers

19. Het CWI biedt je een baan aan, maar het is werk dat je onaantrekkelijk vindt. Kun je het aanbod weigeren?

a. Je mag het aanbod altijd weigeren
b. Je mag weigeren, omdat je ouder bent dan 45
c. Je moet op het aanbod ingaan

20. Je moet iets betalen dat 1,85 euro kost. Met welke munt kun je dat betalen?

a. 1 euro
b. 2 euro
c. 10 eurocent

21. Je hebt werk en wilt opvang voor je kind. Waar ga je heen?

a. Peuterspeelzaal
b. Kinderdagverblijf
c. Daar is geen instantie voor, dat regel je zelf

22. Je bent met je rijbewijs uit Turkije gekomen. Hoe lang mag je hier op een buitenlands rijbewijs rijden?

a. Maximaal tien jaar
b. Een half jaar
c. Dat mag niet

23. Wat gebeurt er als de gemeente je een huis toewijst, en je wilt daar niet wonen. Wat gebeurt er als je weigert?

a. Dan kom je onderaan de wachtlijst
b. Dan heb je geen recht meer op een woning
c. Dan zoekt de gemeente meestal naar een andere woning

24. Wanneer moet je in Nederland je identiteitsbewijs kunnen laten zien?

a. Als je boodschappen doet
b. Op je werk
c. Als je met het openbaar vervoer reist

25. Je komt binnen voor een sollicitatie. Er zitten twee mensen achter een tafel. Wat doe je?

a. Je gaat zitten
b. Je stelt je voor en gaat zitten
c. Je zegt ‘hallo' en gaat zitten

26. Je zoontje heeft een paar kiezen laten vullen en zelf heb je een nieuwe kroon. De tandartsrekening valt erg tegen. Wie moet de kosten betalen?

a. Iedereen moet zulke kosten zelf betalen
b. De ziektekostenverzekering betaalt deze kosten
c. De aanvullende verzekering betaalt deze kosten

27. Een functionaris van het IND heeft je goed geholpen. Hoe bedank je deze functionaris?

a. Met een cadeau
b. Met geld
c. Met woorden

28. Je bent aan het koken en je kruiden zijn op. Het is al zes uur. Heeft het nog zin om de straat op te gaan, zijn er na zes uur nog winkels open?

a. Nee, de winkels sluiten na zes uur 's avonds
b. Ja, de winkels sluiten om negen uur 's avonds
c. Ja, sommige winkels, waaronder supermarkten, zijn langer open.

29. Je gaat naar de dokter, maar kunt je niet verstaanbaar maken. Wat kun je het beste doen?

a. Je zoekt een beroepstolk in de Gouden Gids
b. Je vraagt de arts een tolkencentrum te bellen
c. Je neemt je dochter mee die goed Nederlands spreekt

30. Mag je zomaar een schotelantenne plaatsen?

a. Nee, dat is verboden
b. Ja, dat mag altijd
c. Soms heb je toestemming van de gemeente nodig

Het ontstaan van de Chinese gemeenschap in Nederland

Chinese zeelieden

De Chinese gemeenschap in Nederland heeft een erg lange geschiedenis. Zo kwamen er tussen 1911 en 1930 veel Chinezen hierheen.

In 1911 brak een grote zeemansstaking uit. De ‘Volharding', de vakbond van de zeelieden, eiste onder andere een verhoging van de lonen. De rederijen waren niet van plan in te gaan op de eisen van de zeelieden en het gevolg was dat het werk werd neergelegd. Om toch hun schepen in vaart te houden, namen ze massaal de Chinezen in dienst als goedkope arbeidskrachten. Zo moesten zij zwaar werk verrichten als tremmer, stoker, matroos of kok. Tremmers en stokers waren te vinden in de machinekamer van een stoomschip. De stokers moesten bij een temperatuur die gemakkelijk opliep tot 55 graden, de vuren aanhouden door er per uur 1000 kilo kolen op te gooien. Door een gebrek aan ventilatie, was er een verstikkende atmosfeer. De werkomstandigheden waren dus haast onmenselijk. De Chinezen werden dus ingezet om de staking te breken.

Doordat de Chinezen veel goedkoper in dienst werden genomen verloren een aantal Nederlandse havenarbeiders hun baan. Door deze concurrentie van de Chinezen, kregen ze een slechte reputatie en werden ze door andere havenarbeiders gezien als ‘'ongedierte” en er werd ook wel gesproken van het “Gele gevaar”.

De reputatie van de Chinezen waren bij de meeste Nederlanders slecht en er werd daar in die tijd veel over geschreven in de kranten. Zo wijdde ‘De Uitkijk', het vakbondsblad van ‘De Volharding' op 11 november 1911 een artikel aan de Chinese zeelui in Rotterdam:

“Het gele gevaar! Alzoo is het gele gevaar ook genaderd tot Rotterdam. Voor enkele dagen verbreidde zich de mare* door onze altijd ploeterende Chineesche stad, de Rotterdamsche-Lloyd gaat Chineesche bemanningen op hare schepen plaatsen. Op ons verzoek om mededeling van de redenen die tot dit besluit hadden geleid, kregen wij bescheid*: ‘'Dat vooral den laatsten tijd het aantal zieken op de schepen onder de Europeesche bemanning onrustbarend groot was geweest, en dat daarom de vervanging dor Chineezen, met wien goede ervaringen waren opgedaan in de Calcute-vaart[1], een punt van ernstige overweging was geworden. Bovendien sukkelde men in den laatsten tijd met veelvuldig deserties, zelfs op één schip waren drie deserties voor Port-Said voorgekomen, zoodat ook daarom tot een proef met Chineezen was besloten. En nu beteekent invoering van de Chineesche arbeidschkracht in ons bedrijf toch niets anders, als beperking van het aantal Europeanen die ter zee arbeid kunnen bekomen. Of Chineezen dan geen menschen zijn…?'' Netelige vraag, op lastig oogenblik gesteld! En toch, zelfs aan eantwoording van die vraag wenschen wij ons niet te onttrekken. Zeker, de chinees is ook mensch. Maar een mensch die, als sociaal wezen, als mensch tot het menschdom, zich in de eerste regels nog moet oefenen, die er slechts op uit is om geld machtig te worden ten eigen nutte en die zich klakkeloos en geneuglijk laat gebruiken en uitbuiten, om de belangen van de Europeesche arbeider te schaden en tegen te staan.

Dat is een niet weg te redereeren feit. Van de Chinees geldt nog altijd, al duiden enkele dingen mogelijk op verbetering, de uitspraak: dat zij zijn de laagste materialisten, die uitsluitend verkoopen aan den vijand. En als dan in onze landen de chineesche arbeider komt als concurrent met onze arbeidsvoorwaarden, als hij willens of onwillens wordt gebruikt, als element om de machtsvorming van den Europeesche arbeider tegen te gaan, dan meenen wij dat er al reden is ons tegen zijn invoer te verzetten.”Bron 1.

De Chinese zeelui hadden een slechte economische positie. Zo werden ze in hele ploegen tegelijk aan de rederij geleverd, door bemiddeling van een Chinese wervingsagent, ook wel de ‘shippingmaster' genoemd. Zij betaalden de gages van de Chinese zeelui uit. Deze waren veel lager dan die van de Nederlandse zeelui (fl. 80,- tot fl. 100,- tegenover een Nederlandse zeeman ongeveer fl. 140,-). Voor zijn ‘diensten' ontving de wervingsagent een percentage van de gages van de zeelui als bemiddelingskosten, waardoor de Chinese zeelui in de praktijk nog minder geld ontvingen. Bovendein was de wervingsagent ook vaak logementhouder (‘boardingmaster'). Hij bepaalde wie werk kreeg en wie niet. Zo verkeerde de Chinese wervingsagent in een machtspositie, die de oorzaak was van veel ellende onder de Chinese zeelui. De Chinezen waren dus volledig afhankelijk van de ‘shipping masters', die hen sterk uitbuitten. Ze hadden geen Nederlandse paspoort, dus waren ze vreemdelingen en konden ze zich dus niet verzetten en ze konden niet worden beschermd tegen de macht van de wervingsagenten.

De schietpartij in het jaar 1922 zorgde ervoor dat de Nederlandse regering, die zich aanvankelijk niet zo bewust was van de Chinese aanwezigheid, zich wel bewust werden van de Chinezen. Zo verhardde de opstelling van de regering zich daarop ten opzichte van de Chinezen en er werden pogingen ondernomen om de Chinese aanwezigheid in te perken. De Chinezen mochten alleen nog met een visum het land binnenkomen. Dit diende als beperkende maatregel voor de scheepvaartbedrijven.

Er werd echter zeer veel geknoeid met deze visaregeling door buitenlandse consuls, die zelf vaak in dienst waren van een Nederlandse scheepvaartbedrijf.

Na de schietpartij werd een razzia (een door de overheid (politie, leger) georganiseerde, groots opgezette, opsporing en jacht op een groep mensen) gehouden in Amsterdam. Zo werd een groot deel van de Chinezen op een schip naar China gezet. De Chinezen in Rotterdam werden gespaard, doordat scheepvaartbedrijf Lloyd (nu Nedlloyd) weigerde om zelf voor de terugvaart te betalen en doordat de regering er zelf ook niet veel aan wilde uitgeven.

Chinese Boardinghouses

De Chinezen die niet aan het werk konden moesten of als er gewoonweg geen werk voor hen was, verbleven ze in de logementen bijvoorbeeld in de havens van Amsterdam en Rotterdam (Katendrecht). Zij konden hier teen een woekerprijs een slaapplekje krijgen. Dit zijn de zogeheten Chinese Boardinghouses. Over de omstandigheden in deze logementen is inmiddels heel was bekend. Dankzij de nieuwsgierigheid van enkele journalisten en de werkzaamheden van de Rotterdamse politie en de Gezondheidscommissie. Er was in die tijd ook enkele boeken erover geschreven en zo kreeg ik verschillende visies op de werkelijke omstandigheden in zo'n boardinghouse.

Een voorbeeld van een positief beeld wordt geschetst in het kinderboek ‘Pau-Li, de kleine Chinees', dat in 1936 door een Rotterdamse koekfabriek werd uitgebracht. Hierin wordt een dergelijke Chinees boardinghouse op Katendrecht beschreven. Een fragment uit het boek:

“Dan gingen ze nog twee straten door en ineens verdween vader met hem in een donker huis, waar het heel lekker rook. Bijna zoo lekker als het vroeger bij moeder geroken had, als zij eten kookte. Het was een Chineesch ‘Boardinghouse', oftewel een pension, waar vewel Chineezen woonden. Niemand keek op toen ze binnenkwamen. Ze kwamen in een achterkamer en zaten overal aan tafels en op den vloer zeker veertig Chineezen. Midden in de kamer stond een kachel, die lekker brandde en waarop een groote pan rijst stond te stoomen. Er hing een dikke rookwolk van tabak want allen schenen te rooken. Praten deed niemand, of heel rustig en zacht. Vader zei iets in het Chineesch tegen een man, die alleen maar knikte. En dadelijk maakten de anderen plaats voor hen beiden, zoodat zij konden neerhurken. Even daarna zette dezelfde man op een der tafels twee groote borden vol rijst, waarover soja en groente was uitgespreid, en waarin telkens twee stokjes staken om mee te eten. Het leek den kleinen Pau, alsof hij nu ineens weer geheel in China was. Buiten stonden nog de gewone gevels van Hollandsche huizen en joeg de Octoberwind door de straat, hier binnen was China! Zoo is het nu eenmaal in die Chineesche pensions van Katendrecht en overal elders in de wereld, waar Chineezen wonen. Een gevoel van saamhorigheid brengt ze bijeen, als ze hun werk op de booten en elders gedaan hebben… Dan willen ze weer in China zijn met eigen zeden en gewoonten. Vooral zij, die uit dezelfde streek komen en hetzelfde dialect spreken. Weelde kan hen niets schelen. Ze willen allerliefst bij elkaar zijn en dat is weelde. Met vijftig en tachtig menschen wonen ze samen graag in een huis, waar slechts plaats is voor twintig, maar waar niemand is die hen stoort. Toen de borden leeg waren, stond vader op. Hij nam zijn hand, en voorgegaan door den Chineeschen eigenaar gingen ze een rap op, waar twee kamers de slaapgelegenheden waren. Daarvoor waren de kamers geheel vertimmerd. Er stonden palen in de kamer en daarop rustten planken. En langs de muren waren vijf hoog, matrassen op die planken gelegd, zoodat er vijftig menschen in twee kamers slapen konden. Overal lagen er al te slapen, want het was avond, terwijl op andere bedden weer de gasten zouden slapen, die beneden zaten.”

In dit kinderboek wordt naar mijn mening de woonomstandigheden in zo'n Chinese boardinghouse mooier voorgesteld dan in werkelijkheid was. Er wordt al wel gezegd dat de Chinezen het liefst na al het harde werken overdag een eigen plekje willen hebben, waar ze met hun eigen landgenoten konden communiceren. Dit is naar mijn mening ook het begin van het ontstaan van de geslotenheid van de Chinese gemeenschap in de Nederlandse samenleving. Verder lees je dat zulke huizen uitermate vol zaten. Verder wordt er een illusie gewekt dat de hygiëne in die huizen zodanig goed genoeg was, dat de Chinezen er op de grond zaten, maar uit een onderzoek naar de woonomstandigheden van de Chinezen op Katendrecht, die in 1929 door de Rotterdamse Gezondheidscommissie werd gevoerd, kwam er echter een ander beeld naar voren.

Hieruit bleek dat de logementen waarin de Chinezen verbleven erg onhygiënisch was. De huizen zagen er immers verwaarloosd uit en hier en daar liepen er langs de wanden verschillende soorten kakkerlakken. Overal hing een weeë zoete lucht van het opiumsnuiven. Dit verklaart waarom de meeste Chinese zeelieden zo afhankelijk waren van de Shippingmasters. Zij waren immers al eraan verslaafd geraakt en ze konden het opium alleen maar krijgen via deze Shippingmasters. Ook doordat de kamers zo klein waren en het feit dat er zoveel mensen op een kluitje leefden, dat er sprake was van een hoge kans op een snelle ziekteverspreiding, werd er voorgesteld om in overleg met de scheepvaartmaatschappijen, een inrichting te bouwen voor deze Chinese havenarbeiders. Langzamerhand breidde dit zich uit en ontwikkelde zich rondom de logementen een heuse ‘China town', waar Chinezen uiteindelijk hun restaurants, supermarkten, kappers en andere winkels openden. De grootste en meest bekende was het Rotterdamse Katendrecht, waar zich rond 1933 meer dan 1000 Chinezen gevestigd hadden. Het waren toen nog uitsluitend mannen, want vrouwen waren er in de vooroorlogse China towns nog niet. Het doel van de stichting van zo'n Chinezen-kwartier was om hiermede te voorkomen dat de Chinezen over de hele stad verspreidden.

De jaren 30

In het jaar 1929 was er een economische crisis. Hierdoor daalde de Nederlandse handel met een derde en kwamen veel schepen stil te liggen. Bovendien werd de stoomvaart vervangen door modernere schepen, waardoor stokers overbodig werden. Zo werden de Chinese zeelieden massaal aan de kant geschoven, dat ertoe leidde dat er tussen 1929 en 1931 het aantal Chinezen in Katendrecht steef van 534 naar 1306. Zij waren werkloos, spraken de Nederlandse taal niet en vervielen al snel tot diepe armoede. Doordat ze geen Nederlands paspoort hadden, kwamen ze ook niet in aanmerking voor financiële ondersteuning door de staat. Alleen de Chinezen die zich met een Nederlandse vrouw gehuwd was en samen met haar kinderen had, konden ze aanspraak maken op wat geld.

De Shipping masters deelden aanvankelijk maaltijden uit aan de Chinezen, omdat zij eigenlijk toch nog bij hen in dienst waren, maar naarmate de economische crisis bleef aanhouden, stopten zij met het verschaffen van maaltijden. Door het gebrek aan voedsel vielen er steeds meer doden door ziekten als hongeroedeem en beriberi. De Rotterdamse hoofdcommissaris A.H. Sirks stond bekend om zijn racistische houding t.o.v. de Chinezen. Hij was verantwoordelijk voor de Chinese bevolking op Katendrecht van 1914 tot 1933. Doordat hij de problemen zoveel mogelijk tegen de Chinezen gebruikte en zo ook de problemen in zijn rapporten bagatelliseerde, duurde het lang voordat het doordrong wat eigenlijk afspeelde.

De houding van de Nederlandse regering tegenover de Chinezen was in de jaren '30 zeer negatief. In een document van het Ministerie van Justitie uit 1931, werd door de minister Jan Donner of een van zijn ambtenaren in de kantlijn zelfs geschreven:

“Als een volk zijn nationaliteitsgevoel verliest, dan worden zijn vrouwen misbruikt door Chineezen en ander Aziatisch ongedierte”. - Wubben, 2006, p.95

Het kan natuurlijk zijn dat de Nederlanders destijds dachten dat een Chinees enkel met een Nederlandse huwden om zo een beetje geld te krijgen. Zo werden ze als ongedierte gezien, omdat zij destijds tijdens de zeemansstaking bijna alle banen van de Nederlandse zeelieden had ingepikt. Zo vonden de Nederlanders natuurlijk dat het terecht was dat ze nu ook moesten lijden en daarom werd er afgeraden om enkele steun te bieden aan de Chinezen. Er was dus geen hulp van de overheid te verwachten. Dit speelt ook een rol in de geslotenheid van de Chinese gemeenschap.

Ze moesten het immers toch zelf oplossen.

De pindakoekjes

De immigranten moesten dus op zoek naar een andere manier om zich in leven te houden.

Een van hen kwam op het idee pindakoekjes te maken en die op straat te verkopen.

Het was een zekere Kwai NG, die deze oplossing op hun probleem bedacht. Toen bleek dat hij er aardig geld mee verdiende, volgden vele Chinezen zijn voorbeeld; ze hadden immers hoge schulden en geen enkele bron van inkomsten. Het groeide tot een waar fenomeen. De handel had zich al snel uitgebreid over Rotterdam en vandaar verder naar andere Nederlandse steden. De benaming ‘Pindachinees'. Zo kochten de Nederlanders enkele koekjes voor een stuiver. Door de pindaverkoop verspreidde de Chinezen zich steeds meer over Nederland. Zo bleven er uiteindelijk maar ongeveer 500 Chinezen in Amsterdam achter en ontstond er in de Binnen Bantammerstraat, waar de meeste Chinezen woonden, een Chinatown. Zo woonden er bij in 1933 in de Steden Den Haag, Utrecht en Enschede per stad ook ongeveer 60 Chinezen.

Het succes hield echter niet lang aan. Doordat de economische crisis langer duurde dan werd verwacht, verspilde men uiteindelijk geen geld meer aan de koekjes. Zo verdiende de Chinees steeds minder.

Deportaties in de jaren ‘30

Met name in de vooroorlogse periode was de houding van de overheid tegenover de Chinezen niet echt bepaald positief. Zo werden de Chinezen gezien als ongewenst in de Nederlandse samenleving en probeerde de regering hen dan ook in de jaren 30 het land uit te schoppen. In 1936 verscheen het eerste wetenschappelijke rapport “Chineesche immigranten in Nederland”. Het bevatte een onderzoek naar de Chinezen in Katendrecht en werd gepubliceerd door de socioloog F. van Heek. In zijn conclusie stelde van Heek dat er een onderscheid moest worden gemaakt tussen de Chinezen die van economisch belang waren voor bijv. de scheepvaart en de werkloze Chinezen (werkloze zeelieden die nu pindakoekjes verkochten). Deze laatste groep werd geschat op zo'n 800 man en die werden vooral gezien als een sociale last. Aan de pindakoekjes hadden ze immers geen behoefte en bovendien vond hij dat hun waar (de pindakoekjes) een gevaar vormde voor de volksgezondheid.

Met deze classificatie van de Chinezen werd door Louis Einthoven, die Sirks opvolgde als hoofdcommissaris van Rotterdam, de Chinezen in 2 categorieën ingedeeld:

- A. Chinezen die een economische waarde werd toegedacht en zich mochten vestigen in Nederland

- B. Overtollige Chinezen die geen rechten hadden en zo snel mogelijk terug naar China moesten worden gestuurd.

Zo werden er ruim 1000 van de in totaal 3000 Chinezen in Nederland het land uitgezet. Toch bleef er nog een groep van categorie B over, omdat deze zich echter al had verspreid over het land. Deze wilden echter niet armoedig terug gaan, aangezien dit als een

Er werd een poging gedaan om in 1933 alle ‘'overtollige Chinezen” het land uit te krijgen, maar deze werd afgeblazen, doordat er geen overeenstemming kon worden bereikt over hoe en door wie de deportatiekosten moest worden gefinancierd. Uiteindelijk lukte het Einthoven toch om ervoor te zorgen dat de grote scheepvaartsmaatschappijen LIoyd en de Java-China-Japan Shipping line voor een lage prijs deze Chinezen naar Java, Singapore en Hongkong te vervoeren. Door deze actie bleven er rond 1939, tegen de Tweede Wereldoorlog, nog maar 800 Chinezen in Nederland achter, waarvan er 209 in Katendrecht woonden.

Andere Chinese migranten in Nederland

Naast de Chinese zeelieden die reeds in het begin van de 20e eeuw in Nederland woonden, waren er ook Chinezen die via een heel andere weg Europa binnengekomen. Het ging vooral om de Qingtiannezen uit de provincie Zhejiang. Zij waren van oorsprong afkomstig van het platteland en verdienden als kleine handelaren hun kost. Hun voornaamste handelswaar was de Qingtian-steen. Zo'n 100.000 personen kwamen tijdens de Eerste Wereldoorlog als arbeiders naar Frankrijk. Na enkele jaren moesten zij echter weer terug naar China gaan. Een aantal van hen wist echter de deportages te ontvluchten en vestigden zo vooral in de steden Parijs, Lyon en Marseille. Van daaruit verspreidden zij zich over Europa, waaronder ook Nederland. De socioloog F. van Heek constateerde in zijn rapport dat er zo'n 300 van deze Chinezen, als beroepskramers in Nederland woonden.

Uit dezelfde provincie Zhe Jiang emigreerden eveneens reeds voor de Tweede Wereldoorlog, een tweede groepering migranten uit de stad Wenzhou. Zij verwierven hun inkomsten uit de opbrengsten van de steengroeven in Qingtian en van de landbouwgronden. In de jaren 30 kwam echter de industrialisatie op en zo kwam de landbouw onder druk te staan. Veel boeren uit Wenzhou emigreerden toen eveneens eerst naar Frankrijk, om vervolgens van daaruit weer te vestigen in Nederland.

Een derde categorie Chinezen was werkzaam in de textielbranche. Na de Eerste Wereldoorlog kreeg deze handel meer belangstelling. Zo was er een in Noord-China een moederbedrijf opgezet, die een aantal handelsreizigers lieten overkomen en zo hun waar op de Nederlandse markt introduceerden. In de jaren dertig waren er ongeveer 60 in Nederland. Zij ontvingen een behoorlijk goed salaris, maar zij verbleven hier maximaal vijf jaar.

Een vierde categorie bestond uit Chinese studenten die uit Indië afkomstig waren.

Zonder de vooroorlogse aanwezigheid van de Chinese immigranten in Nederland zou de ontwikkeling van de Chinese restaurantsector in haar huidige hoedanigheid zich zeer waarschijnlijk niet hebben voorgedaan. Met de komst van de Chinese zeelieden in Nederland, het ontstaan van de logementen en de ontwikkeling van China Towns in Rotterdam en Amsterdam, werden immers ook de eerste Chinese eetgelegenheden en restaurants geopend. Aan het eind van de jaren dertig was het aantal Chinezen drastisch gereduceerd. Maar bestonden er inmiddels wel enkele Chinese restaurants, die de basis zouden vormen voor de latere groei van deze horecasector.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog

De tweede immigratiestroom/ opkomst van de Chinese restaurants

De na-oorlogse periode

De groep Chinezen wordt over het algemeen beschouwd als de eerste culturele minderheid in Nederland. Na de Tweede Wereldoorlog groeide hun aantal van ongeveer duizend, geconcentreerd in Rotterdam, Amsterdam en 's-Gravenhage, naar zo'n vijftigduizend op dit moment, verspreid over heel Nederland.

Door de onafhankelijkheid in 1948 van Nederlands-Indië kwam een nieuw stroom Chinese migranten naar Nederland. Samen met de uit Indonesië gerepatrieerde Hollanders vormden zij een aanzienlijke groep consumenten, die de Aziatische gebruiken en culturen goed kenden. Zij wisten de oosterse keuken goed te waarderen. Op de vraag naar Aziatisch voedsel in Nederland werd door de Chinezen handig ingespeeld. Zo ontwikkelden zij het voor de wereld unieke Nederlandse concept van de Chinees-Indische keuken en openden vanaf 1950 restaurant na restaurant.Tot halverwege de jaren zestig was de Chinese gemeenschap grotendeels een mannengemeenschap. De meesten werkten twaalf uur per dag, 6 dagen in een week in een Chinees restaurant. Ze leefden sober en spaarden zoveel mogelijk geld om zo zelf een eethuis te kunnen beginnen, een eigen kapitaal op te bouwen en zo terug te kunnen gaan naar hun geboorteland.

Door de bloeiende opkomst van de Chinese restaurants werden er familieleden vanuit China naar Nederland gehaald. Tegelijkertijd bracht De Culturele Revolutie in communistisch China echter veel onrust teweeg over de toekomst van Hongkong. Hierdoor kwam vanaf 1967 een soort kettingmigratie op gang van vrouwen en kinderen. Het was deze gezinshereniging die de positie van de Chinezen in Nederland ingrijpend veranderde.

Zo werd er in 1980 een rapport uitgebracht door de Universiteit van Amsterdam, waarin onder andere te lezen stond:

“China Town in het verleden was een mannenmaatschappij. ‘China Town' vandaag is in toenemende mate een gemeenschap van complete families met kinderen. Deze familie-eenheden neigen naar een grotere sociale zelffunctie. Zij maken dan ook meer gebruik van diverse sociale diensten in het Nederlandse overheidsapparaat. De mannelijke immigranten die vroeger dagen vrouw en kinderen in China achterliet zag zijn verblijf in Europa als een tijdelijk gebeuren. ‘Complete familie-immigranten' hebben over het algemeen minder reden dan alleenstaanden om sterke banden te onderhouden met de Chinese maatschappij die ze achtergelaten hebben. Vooral op de lange termijn zijn zij meer genegen om met de Nederlandse samenleving tot overeenstemming te komen. Voor het ogenblik echter is het beeld nog zo dat de meeste Chinezen zich afschermen van de wijdere omgeving in hun kleine restaurantwereld waar zij zoveel mogelijk een eigen leven leiden met nog weinig inpassing in de cultuur van het gastland. Van oudsher kennen de Chinezen op grond van familie- of dorpsverwantschap een vrij hechte organisatie, een sterke sociale controle en een goed functionerende onderlinge hulp. De kinderen werden volgens de traditionele regels opgevoed: eerbied voor de oudere generatie, de man staat boven de vrouw, een jongen is belangrijker dan een meisje, dat uitgehuwelijkt werd. Leren, dus ook lezen en schrijven, werd belangrijk gevonden, daar dat de enige manier was om hogerop te komen. Daartegenover werd de ‘overheid' gezien als een instantie waar men niets goeds van te verwachten had, integendeel. Deze hechte sociale structuur bood aanvankelijk ook in Nederland voldoende bescherming, zoals ook de contacten me de achtergebleven familie (o.a. door geldzendingen) bleven bestaan. Maar het traditionele vertrouwen op eigen kracht, het wederzijdse hulpbetoon en de sterke sociale controle staan ontegenzeggelijk onder een toenemende druk. In de afgelopen jaren hebben Chinezen in toenemende mate- in geval van economische moeilijkheden - meer een beroep gedaan op de onpersoonlijke instituties van de Nederlandse overheid dan op die van vrienden en verwanten. Het nieuwe immigrantenpatroon laat dus de tendentie zien van een grotere groei in het Nederlandse sociale verzorgingssysteem.”

H2. Opvoeding in Chinese gezinnen 3feb 2010 8.00- 15:00

Traditionele beeld van de Chinese opvoeding

Volgens het ideaal-typische beeld in de literatuur berust de verantwoordelijkheid voor het huishouden en voor het opvoeden van de kinderen in Chinese gezinnen bij de moeder. De taken die vaders in dit opzicht vervullen zijn beperkter. Zijn belangrijkste rol bestaat erin voor het gezinsinkomen te zorgen, de zaken buitenshuis te behartigen en de algehele leiding over het gezin ter hand te nemen. Karakteristiek voor de traditionele opvatting van de taakverdeling tussen man en vrouw is de uitrdrukking “yim fu si mu” : ‘vader is streng, moeder is aardig'.

Deze opvatting is bovendien verankerd in de geschreven taal, hetgeen illustratief is voor de lange Chinese opvoedingstraditie. Zo is het chinese karakter voor vader (fu,父) onstaan uit een ouder karakter dat autoriteit symboliseert, waarin een hand die een stok vasthoudt te herkennen valt. Het huidige karakter voor moeder (mu,母) is geëvolueerd uit een karakter dat vrouwelijke borsten uitbeeld, en een ander dat een geknielde, nederige figuur representeert.

+plaatje van de beide karakters (veranderingen)

Het beeld dat in de literatuur van de Chinese vader wordt geschetst, is dat van een in emotioneel opzicht afstandelijke patriarch, die het gezinsleven op strenge en autoritaire wijze naar zijn hand zet, en absolute loyaliteit, gehoorzaamheid en respect van zijn kinderen verwacht. Het aandeel van vaders in de opvoeding van jonge kinderen was in het verleden zeer klein. Zijn opvoedende taak strekt zich vooral uit naar oudere kinderen. Deze bestond voornamelijk uit het onderrichten van discipline, moreel besef, correct gedrag en zelfbeheersing. Aangezien het tonen van gevoelens hiermee in strijd zou zijn, streeft hij niet naar een warme ouder-kindrelatie. Dit betekent overigens natuurlijk niet dat hij niet van zijn kinderen houdt. Hij is slechts terughoudend in het tonen van zijn gevoelens. Op deze wijze hoopt hij een stevige basis te leggen voor het handhaven van zijn gezag in de toekomst, waanneer zijn zonen als volwassenen zijn huishouding delen. Ten opzichte van dochters stelt hij zich milder op. Aangezien deze het ouderlijk huis verlaten wanneer zij eenmaal zijn gehuwd.

De emotionele band tussen moeder en kinderen is over het algemeen sterker. Zij hecht met name belang aan het ontwikkelen van een goede band met haar zonen, die de ouders tijdens hun levensavond gewoonlijk verzorgen. Dit doet zij door hen te verzorgen en diensten te verlenen, ook als die niet langer nodig zijn, waarbij ze niet zal nalaten haar zoon daar telkens aan te herinneren.

De intieme band tussen moeder en dochter ontstaat vaak tijdens het aanleren en uitvoeren van allerlei huishoudelijke taken, waardoor zij veel tijd met elkaar doorbrengen. Hoewel ik dit ideaal-typische patroon niet bij de moeders van de 2e generatie als zodanig ben tegengekomen, klinken de echo's ervan in de meeste gezinnen nog luid en duidelijk na. Mogelijk gaat er enige modererende invloed uit van het feit dat ook moeders werken. In gezinnen waarin beide ouders werken lijken vaders wat meer taken in huishouding en opvoeding op zich te nemen, hetgeen niet wegneemt dat de hoofdverantwoordelijkheid hiervoor onmiskenbaar bij de moeders ligt en dat de bijdragen van vaders beperkt zijn. De vaders moesten vrijwel altijd werken en hadden dus niet echt tijd om ook nog de kinderen op te voeden. Het is dus te wijten aan de zware werkbelasting in de horeca. Het feit ook dat vaders erg streng en opvliegend kunnen zijn speelt ook een rol. Om deze reden houden moeders vaak de vader uit de buurt van haar kinderen, zodat conflicten worden vermeden.

Door de interviews kwam naar voren dat in alle drie de generaties de oudere kinderen een belangrijke rol spelen in het opvoeden hun jongere broers en zussen en dragen hun steentje bij door sommige huishoudelijke taken te vervullen. Zij worden van kinds af aan door hun moeder erop gewezen dat zij een belangrijke verantwoordelijkheid dragen ten opzichte van jongere kinderen in het gezin.

Ook spelen de grootouders een rol in de opvoeding. Zo worden veel kinderen voor enkele jaren naar China gestuurd om door hun grootouders te worden opgevoed, wanneer zij niet door andere kunnen worden opgevangen. Hoewel dit een doelmatige oplossing is voor het nijpende probleem aan kinderopvang wanneer beide ouders werken, blijken moeders hier lang niet altijd gelukkig mee. Zo willen de meeste de rol van oma het liefst zo beperkt mogelijk te houden, omdat zij te oud zijn en tevens de oude methode qua opvoeding volgen. Dit wensen vele ouders van de 2e generatie hun kinderen niet.

Behalve deze behoefte om afstand te nemen van ‘'de oude weg'' en een eigen koers te volgen, vormt de wens om conflicten met (schoon)ouders waar mogelijk te vermijden ongetwijfeld een onderliggend motief. De relatie tussen schoonmoeder en schoondochter geldt namelijk als een notoire conflicthaard in het Chinese familieleven, zeker wanneer men deel uitmaakt van hetzelfde huishouden. Wanneer moeders voor de opvang van hun kinderen geen beroep kunnen of willen doen op grootouders of andere familieleden, brengen zij hun kinderen soms onder in Nederlandse gezinnen.

De rol van de Chinese familie-ideologie

De grondslagen van het Chinese gedachtegoed verschillen in meerdere opzichten, soms sterk, van de levensbeschouwelijke opvattingen die in hedendaagse, westerse samenlevingen opgeld doen. Inzicht in de verschillende culturele denkbeelden en concepten die Chinese ouders hanteren is derhalve onontbeerlijk voor begrip van hun opvoedkundig handelen. In de traditionele Chinese zienswijze speelt het leven zich af in een continuüm van hemel en aarde. Het leven wordt beschouwd als een geschenk dat mensen ontvangen van de geesten van hun voorouders. Deze overtuiging ligt ten grondslag aan de praktijk van voorouderverering die China al sinds mensenheugenis kent. Zo is een mens bij geboorte voorbestemd een schakel te vormen in een eeuwigdurende keten van voorouder-afstammeling-relaties. De Chinese preoccupatie met de familie is hierdoor zo sterk, dat wel gesproken wordt van ‘familisme', oftewel familie-ideologie. Binnen de familie geldt een strikt hiërarchische ordening naar generatie en geslacht. De jongere generatie is hierbij onderschikt aan de oudere en eveneens de vrouwen aan de mannen. Een dergelijke ordening naar leeftijd en geslacht is ook van kracht binnen generaties, en in de Chinese samenleving als geheel, want de natuurlijke orde is niet egalitair maar hiërarchisch. De rollen die het individu in dit geheel van menselijke relaties vervult bepalen zijn identiteit, waarbij individuen steeds in relatie tot familie en daarmee onlosmakelijk verbonden worden beschouwd. Zelfverwerkelijking bereikt een mens door zijn sociale verantwoordelijkheden na te komen, te beginnen met die ten opzichte van zijn familie.

Het karakter xiao(小=klein) vormt een centraal begrip in deze familie-ideologie. Het wordt omschreven als de eerbied en plichten die kinderen hun ouders verschuldigd zijn. Dit is een complex systeem van plichten, dat onder meer de economische en emotionele ondersteuning bij ouderdom betreft, het in acht nemen van respect en hiërarchische verhoudingen en het in ere houden van de familienaam. Deze verplichtingen t.o.v. de ouders gaan alle andere verplichtingen te boven, inclusief die voor de eigen kinderen. Dit heeft tot gevolg dat de Chinese perceptie van de ouder-kind relatie een andere is dan die in het westen gangbaar is: kinderen zijn er primair voor hun ouders, net zoals die er op hun beurt primair zijn voor hún (voor)ouders. Kinderen krijgen deze boodschap van jongsaf aan mee, zowel van huis uit, als van de hen omringende samenleving, en in het onderwijs.

Maatschappelijke verantwoordelijkheden zoals het leveren van goede maatschappelijke prestaties, zeker in het onderwijs, vlijt. Het bewaren van harmonie in relaties met anderen, het in acht nemen van de juiste beleefdheids-en omgangsvormen, bescheidenheid, schaamte en kuisheid van meisjes en jongens op seksueel gebied, worden eveneens geassocieerd met xiao en het tot eer strekken van de familie. Maatschappelijk succes wordt in Chinese ogen niet gezien als het resultaat van individuele inspanningen ten behoeve van zichzelf, maar als een gezamelijke inspanning die de (voor)ouders en familie als geheel voorspoed brengt en ten eer strekt. Per slot is een goede opleiding lang niet voor iedereen weggelegd. Families in China moesten zich vaak dingen opofferen om iemand uit hun midden in staat te stellen een hoge(re) vorm van onderwijs te volgen. Aangezien onderwijs in China een zeer lange traditie kent, van oudsher in hoog aanzien staat en een kanaal voor opwaartse mobiliteit vormt, worden goede onderwijsprestaties in de Chinese kring hoog aangeslagen.

De familie vormt aldus de basis van waaruit betrekkingen met anderen worden aangeknoopt. In de omgang met buitenstaanders speelt het in stand houden van de familiereputatie, ofwel het vermijden van gezichtverlies, een belangrijke rol.

Onderwijs

Doordat er zo'n belangrijke waarde wordt gehecht aan onderwijs willen de Chinese ouders van de 2e generatie het liefst dat hun kinderen een zo hoog mogelijke opleiding moeten proberen te halen zodat zij op deze manier een maatschappelijk succes kunnen realiseren. Enkele ouders laten dit aan hun kinderen over omdat zij zelf niet op de hoogte zijn van de onderwijsmogelijkheden in Nederland.

Het verschil tussen de 2e en 3e generatie Chinezen qua prestatiedruk is dat de 2e generatie nog wel gebonden was aan de familie-ideologie, terwijl de Chinezen van de 3e generatie in dat opzicht vrijer zijn. Zo gaan zij naar school voor zichzelf en niet zozeer voor de eer van hun familie. Al speelt het in sommige traditionele gezinnen nog wel een rol, maar dat is een uitzondering. Ook de opleidingsniveau van de ouders spelen een rol in de opvoeding van hun kinderen. Zo zie je dat Chinezen die een hoge opleiding hadden gevolgd en van een rijke familie kwamen, minder traditioneel zijn dan de Chinezen die laaggeschoold zijn en van een arme familie komen.

Het verschilt dus per familie. Niet bij elke Chinees was er bijvoorbeeld een prestatiedruk. Uit de interviews is gebleken dat verassend veel 2e generatie-Chinezen maar weinig druk van bovenaf kregen op het gebied van het behalen van de beste prestaties. Dit was zeer verassend aangezien ik had gedacht dat juist van hen veel verwacht werd op gebied van onderwijs. De prestatiedruk bij de 2e generatie Chinezen was niet zo extreem als ik dacht. Ik had veel meer verwacht. Het blijkt dus dat de 2e generatie helemaal niet altijd de beste moest zijn. Wel moesten zij altijd hun best doen, maar als je nu een iets lager cijfer behaalde, dan was dit ook niet zo heel erg. Ik dacht juist dat een 2e generatie Chinees,die in China is geboren en naar school is gegaan, een hoge prestatiedruk had. Aangezien het in China best duur was om naar school te gaan. Maar dat viel dus mee.

Dat neemt niet weg dat er wel degelijk families zijn die dit wel belangrijk achtten.

Opleidingsniveau, taal, identiteit en oriëntatie 06-02-2010 19:00-

De opleidingsniveau heb ik ingedeeld in drie categorieën: (geen tot) maximaal basisonderwijs, mavo/havo en vwo/mbo/hbk/wo. Ik heb de ondervraagden gevraagd zelf een inschatting te maken van het door hen bereikte opleidingsniveau. Veel Chinezen met een uitgesproken laag of hoog opleidingsniveau hadden hier geen moeite mee, maar het aantal die (enkele jaren) middelbaar onderwijs in China gevolgd hebben, vonden het vaak moeilijk om hun opleidingsniveau in Nederlandse termen te vatten. Sommigen schatten hun opleiding op mavo-niveau; anderen zien meer overeenkomst met havo, of menen dat hun opleiding het midden houdt tussen mavo en havo. Het is overigens erg lastig om in China behaalde opleidingsniveaus objectief met in Nederland geldende eindtermen te vergelijken. In de Volksrepubliek hadden politieke campagnes als de ‘grote sprong voorwaarts' in de jaren 1966-1976, grote invloed gehad op de inrichting van het onderwijs. Zo was tijdens de culturele revolutie alle scholen tenminste twee jaar geheel gesloten geweest.

Het opleidingsniveau van de meesten van de 2e generatie is over het algemeen laag, met enkele uitzonderingen. Maar met name de eerste generatie Chinese migranten in Nederland hebben een zeer lage opleidingsniveau, omdat de meesten 7 dagen in een week, veelal in de Chinese keuken werkten. Hierdoor hadden ze weinig gelegenheid om taalcursussen te volgen, en kwamen om dezelfde reden ook zelden in contact met de Nederlandse taal in aanraking. Ook was er vroeger niet zoveel aanbod van taalcursussen, zodat het sowieso nog moeilijker was om überhaupt de Nederlandse taal aan te leren. Het opleidingsniveau van de generatie geboren na 1960 is aanzienlijk hoger, omdat zij toen een groter aanbod van taalcursussen op hun weg vonden dan de eerste generatie. Al bij al varieert de taalvaardigheid van deze Chinezen van matig tot goed. Dit heb ik wel gemerkt tijdens het interviewen van de 1e en 2e generatie Chinees. Bij velen moest ik de vragen toch vertalen in het Chinees, zodat zij zeker wisten wat ik ermee bedoelde. Ook merkte ik aan het antwoorden, dat hun Nederlands soms erg gebrekkig was. Dit maakte de interviews aanzienlijk moeizamer. De interviews met de derde generatie Chinezen gingen aanzienlijk vlotter, omdat zij vrijwel meteen wisten wat ik bedoelde met mijn vragen. Opmerkelijk was wel dat zelfs de derde generatie Chinezen niet allemaal een goed resultaat behaalden voor de twee taaltoetsen. Ik had het niveau veel hoger verwacht. Het blijkt dus dat enkelen nog enige moeite hebben de Nederlandse taal 100% te beheersen.

Identiteit en Oriëntatie

Vrijwel alle Chinezen van de eerste en tweede generatie hechten er groot belang aan dat hun kinderen Chinees leren spreken. De belangrijkste reden waarom hun kinderen Chinees moeten leren spreken, is de communicatie binnen het gezin. Zonder Chinees zou het veel moeilijker zijn voor de ouders, die zelf de Nederlandse taal niet of nauwelijks machtig zijn, om te communiceren met de kinderen, maar toch vinden ze dat hun kinderen allereerst Nederlands moeten leren, zodat zij een goede opleiding kunnen volgen. Al leidt dit niet zelden tot communicatieproblemen, maar de toekomst van hun kinderen staan voorop. Dit in tegenstelling tot de eerste generatie, waar ze minder waarde hechtten aan het leren van de Nederlandse taal. Zij waren veel traditioneler en voelden zich onmiskenbaar Chinees. Ze zagen de beheersing van de Chinese taal als een vanzelfsprekendheid. Zoals een Chinees van de 1e generatie het uitdrukte ‘ Een Chinees die zijn taal niet kent is geen Chinees.' Deze mentaliteit hebben de 2e generatie Chinezen waarschijnlijk overgenomen. Mede hierdoor worden bijna alle kinderen van de 3e generatie gedwongen om elke zaterdag naar Chinese school te gaan, om zo de Chinese taal aan te leren en/of te verbeteren. Ook wordt de kennis van de Chinese cultuur, de Chinese normen en waarden, én de geschiedenis van China de kinderen bijgebracht. Op de vraag of ze zich als Chinees of als Nederlander voelden, waren de antwoorden uiteenlopend. De eerste en tweede generatie voelden zich

Positie van de man 4 februari 2010 16:00- 19:00

Op de vraag of de jongen een duidelijke machtpositie had in de familie en dergelijke waren de antwoorden verschillend? Het ligt eraan in wat voor soort familie je bent geboren. Leefde je als meisje op het platteland, dan had je het veel zwaarder te verduren. De families hechten daar de meeste waarde aan jongens. Bij de Chinezen die op het platteland leefden was de man/zoon in de familie dus erg machtig. Zij waren de baas, omdat zij het geld verdienden. In een grote stad als Shanghai, was dit juist niet het geval. Daar heersten juist de vrouwen. Het feminisme was daar erg belangrijk en dat voerde ook de boventoon, omdat hier juist de vrouwen ervoor zorgden dat ze een inkomen hadden. Zij brachten als het ware het brood op de plank, terwijl de mannen thuis bleven en onder andere het huishouden deden.

Een tegenstelling is het zuiden van China, in het bijzonder Hongkong (Kanon-provincie/Guangzhou). Hier hadden de zonen duidelijk de macht. Het was zelfs zo belangrijk, dat het erfgoed alleen onder de zonen van de familie mocht worden verdeeld, de dochters kregen hier geen deel van. Nu is het weliswaar een beetje veranderd, maar het principe en mentaliteit van de Kantonezen zitten er nog steeds in.

De veronderstelling dat de man een hogere machtspositie had t.o.v. de vrouw in deze generaties viel dus erg mee. Sterker nog, dit kwam in de tweede generatie ook niet echt meer voor. Het ligt er eigenlijk aan in wat voor een familie je was geboren en was opgegroeid, en eigenlijk ook de plaats waar je familie vandaan kwam: platteland of stad, en welke provincie.

H3. Hoe goed zijn de Chinezen geïntegreerd?

Integratie

Destijds werd immigranten in Nederland weinig in de weg gelegd. Zij die al in Nederland een bestaan hadden opgebouwd konden gemakkelijk familie of dorpsgenoten opvangen. Deze ‘kettingmigratie' had tot gevolg dat een sterk homogene groep ontstond van mensen die vrijwel allen in de horeca werkte, sterke onderlinge economische en culturele banden had en daarom slechts zeer moeilijk in Nederland integreerde.

In tegenstelling tot de immigranten van voor de oorlog, was de verhouding tussen mannen en vrouwen uit de naoorlogse immigratiegolf beter in balans. Aanvankelijk vormden de taal en lage opleiding een grote barrière voor integratie in de Nederlandse samenleving. Vooral de ouderen spraken (en spreken vaak) slechts gebrekkig Nederlands.

De integratie (ca. 1980 - heden)

Gedurende de jaren tachtig van de vorige eeuw keerde het economische tij: de markt voor het Chinese eten raakte verzadigd en kon de almaar groeiende toestroom van restaurants niet meer aan. De financiële draagkracht van vele voorheen welvarende Chinezen was niet meer voldoende om minder fortuinlijke familieleden of streekgenoten te onderhouden.

Deze economische factoren en een verscherpte politiek van de Nederlandse regering tegen immigratie vanaf de jaren negentig, deden de instroom van (legale) immigratie praktisch opdrogen.

Steeds vaker moest (en moet) een beroep gedaan worden op de ‘normale' sociale voorzieningen. Steeds vaker moeten de leden van deze groep hun heil zoeken buiten het Chinese restaurant-bestaan.

Een andere tendens is dat er inmiddels een tweede (en derde) generatie Chinezen aan het opgroeien is, die vanaf de geboorte met Nederlandse taal en cultuur vertrouwd is en volgens de statistieken opklimt in opleidingsniveau.

Onder de jongere Chinezen (beneden de 30 jaar) is het aantal tweede generatie immigranten al reeds in de meerderheid. Ten slotte heeft verreweg de meerderheid (meer dan 80%) van de Chinezen in Nederland een Nederlands paspoort verworven.

Voor de tweede generatie (met ouders geboren in China of Hong Kong) heeft vrijwel iedereen de Nederlandse nationaliteit (Harmsen 1998, zie literatuur)

Gezien deze ontwikkelingen lijken de scherpe grenzen tussen de Chinese en de Nederlandse gemeenschap, zoals die bestonden voor en vlak na de Tweede Wereldoorlog, onvermijdelijk steeds meer te vervagen.

Wel is het zo dat ook de huidige Chinese jongeren erg hechten aan de eigen groep. Het liefst zoeken zij een etnisch Chinese partner en ook vormen zij vele en hechte eigen verenigingen, gaan naar Asian party's etc.

Sinds 2004 worden Chinezen als ‘minderheidsgroep'aangemerkt door de Nederlandse overheid en is het aantal activiteiten, bv politieke/emancipatoire, toegenomen.

Contact in Nederland

http://www.groene.nl/1996/44/poepchinezen

Poepchinezen '"EN BLIJFT U NU hier in Holland voorgoed, nu het u hier zo goed gaat?' vroegen we aan enkele vooraanstaande Chineezen, die blijkbaar in de Rotterdamsche 'China-town' een goed bestaan hebben. 't Ondoorgrondelijke masker van het gele gezicht, met dien stereotiepen glimlach, bleef even kalm, - het raadsel van dat nooit te peilen, nooit te begrijpen oog, bleef even onoplosbaar... Maar 't was dan, of ineens iets heel moois in de verte oplichtte voor hun blik. Arthur van Amerongen Ze wendden zich af, 'n kort oogenblik, als we dat vroegen, - en dan kwam het antwoord: "Hollanders komen in Shanghai, in Hong-Kong, in Pe-King... Hollanders geld verdienen... Hollanders gaan met geld huistoe om te leven in hun land! Chinaman wil dat ook zo graag!"' (Uit het tijdschrift Het Leven Geïllustreerd, 1922)

Voor de Tweede Wereldoorlog leefde op Katendrecht, het schiereiland in de Rotterdamse haven, de grootste Chinese gemeenschap van Europa. De Chinezen leefden samen met de ruwe havenarbeiders, de pooiers en de hoeren en werden door iedereen getolereerd. Tegenwoordig is er nog maar één Chinees restaurant op Katendrecht. Het troosteloze en winderige schiereiland, dat ooit met de Amsterdamse Wallen en de Haagse Schilderswijk tot de beruchtste volkswijken van Nederland hoorde, ligt er troosteloos bij. Kale nieuwbouw, reusachtige betonnen silo's, een door onkruid overwoekerde rails. Je ziet amper mensen op straat. Zelfs het Deliplein, waar de Brooklyn Bar, Dirty Diana, de Neutraal Bar en Tattoo Manilla nog aan het roemruchte verleden van Katendrecht herinneren, is verlaten.

JO KRAAIJEVELD (1911) heeft de opkomst en de ondergang van Chinatown meegemaakt. Met wijlen haar man Yuen Wah had ze een Chinees restaurant op Katendrecht. In haar nieuwbouwwoning op Katendrecht herinnert alles aan vroeger. Chinese spreuken aan de muur, Chinese kalenders, foto's van haar man voor hun restaurant. Jo: 'Mijn man had eerst in Engeland gewerkt. Toen begon de oorlog 14-18 en kreeg hij een brief van zijn moeder uit China. Of hij naar huis wilde komen, ze was bang dat hem iets zou overkomen. Op de terugreis naar Engeland is hij ergens in de buurt van de Rode Zee afgemonsterd. Hij is toen in de machinekamer van een boot gaan werken, zonder loon, en naar Rotterdam gekomen. Tijdens de reis is een Chinees overboord gesprongen en heeft een ander zich opgehangen, ze waren gek geworden van de hitte in de machinekamer. In Rotterdam is hij van de boot gezet, van de machinist heeft hij vier dubbeltjes gekregen. Met dat geld heeft hij een tram genomen en de veerboot naar Katendrecht. Uiteindelijk kwam hij bij de Walhalla terecht, een soort boardinghuis.

Ik werkte bij mijn zus Neel in de winkel, we verkochten porselein en glaspapier. Ik deed altijd klusjes voor de Chinezen, hielp ze hun fietsen repareren, daar snapten ze weinig van. Op een dag kwam hij binnen en legde een stapel geld op de toonbank. Ik zeg, wat is dat, moet je wat kopen? Nee, zegt hij, dat wil ik aan jou geven als je bij me komt wonen. Ik verkoop me eigen niet, zei ik, ga nou gauw weg.
Zachtjesaan ben ik toch bij hem ingetrokken, in een huis in de Atjehstraat. Zonder te trouwen, we zijn gewoon gaan hokken. Mijn ouders waren al aan Chinezen gewend omdat mijn zus Neel met een Chinees was getrouwd. Maar de familie van mijn vader in Sliedrecht zei: heb je het al gehoord, Neeltje uit Rotterdam is met een zwarte getrouwd. Die boerenmensen hadden nog nooit een Chinees gezien, alles was zwart voor hun.

Yuen Wah is toen een restaurant begonnen, een politieman heeft hem met de papieren geholpen, dat ging vroeger een stuk makkelijker. Op Katendrecht werden Chinezen nooit gediscrimineerd. Chinezen hebben hun eigen doen en laten. Een Chinees geeft niets om mooie meubelen, een tafel met een bed is genoeg. Er moet wel een mooie dure auto voor het restaurant staan. Die auto is hun yow ming, hun gezicht, hun aanzien. Met Turken en Surinamers ligt dat anders. Dikwijls zeggen ze hier, geef mij maar een Chinees op de trap of op de overloop.'

Ondanks haar hoge leeftijd tolkt Jo nog steeds voor de Chinezen, onder andere op het gemeentehuis. 'Als Chinese ouders hier op Katendrecht zieke kinderen hebben, komen ze eerst naar mij toe. Dan neem ik de koorts op en als die hoog is, bel ik de dokter. De Chinezen noemen mij Jo Kuw, tante Jo. Eigenlijk ben ik een Chinees. Als ik in Amsterdam over straat loop, komen Chinezen op me af. Hé Jo, ben jij dat? Ik stond in Hong Kong in een bloemenzaak, zelfs daar werd ik herkend door een Chinees die in Nederland had gewoond. Chinezen noemen een Hollander Hollan kwai, een geest, een spook. Ik zeg altijd dat ik een Hollan yang, een mens ben, of een lo feng, een Europeaan. Wij zijn geen kwai, dat is een scheldwoord. Dat zeg ik vaak tegen Chinese kinderen, om ze een beetje op te voeden.'

VOOR DE OORLOG waren de Chinese boardinghuizen op Katendrecht een vertrouwd beeld. De vaak slechte huisvesting leidde destijds tot een onderzoek van de gemeente Rotterdam. Uit het rapport: 'De Chineesche logementen zijn alle gevestigd in normale woonhuizen van het op Katendrecht gebruikelijke type: meestal alcoofpanden van begane grond, en twee verdiepingen met zolder, en waarvan iedere verdieping een voor- en achterwoning bevat. De beganegrondsverdieping is meestal ingericht tot winkel of dagverblijf voor gasten. Daarachter is veelal de keuken. In kamer en alcoof zijn houten stellages getimmerd, die alle ruimte vullen. Op deze stellages slapen nu de Chineezen: twee hoog en mannetje aan mannetje. (...) Men begrijpt dus dat er een niet zeer frissche atmosfeer heerscht, en vooral als men weet dat een groot deel der bewoners ook overdag thuis is. Het is natuurlijk in zulke kamers overvol van menschen, van koffers, van drogend lijfgoed, van allerlei voorwerpen; maar smerig is het er niet. Na deze beschrijving behoeft niet meer gezegd te worden dat bij brand in zulk een logement geen levende ziel meer het gebouw zal kunnen verlaten.'

De vader van Ben Lock (1929) was ooit boardingmaster op Katendrecht. Ben, die jarenlang eigenaar van Chinese restaurants was: 'Mijn vader komt uit Ning Po, een boerendorpje in de buurt van Shanghai. Hij is eerst naar Engeland gegaan. Daar heeft hij de achternaam Lock gekregen. Vervolgens werd hij boardingmaster in Rotterdam en trouwde hij met mijn moeder. Haar vader was schoenmaker op Katendrecht. Boardinghuizen zijn een soort herbergen. Chinese zeelui moesten vaak op een boot wachten en dan werden ze ondergebracht in een boardinghuis. Dat betaalden ze van het geld dat ze van de maatschappijen kregen.

Net na de oorlog is het restaurantgebeuren begonnen op Katendrecht. Bijna alle restaurants werden gerund door Kantonezen. Ze pasten het eten aan aan de smaak van de Hollander. De Chinese eetgewoonten zijn niet erg aantrekkelijk voor de Nederlander. Er wordt gerocheld, je mag gerust een boer laten onder het eten. Daar zegt niemand iets van.

Ik begon als kelner in een Chinees restaurant. Omdat mijn vader Chinees was, kreeg ik voorrang. Bovendien sprak ik Nederlands en kon ik de menukaarten maken. Bij de Chinees verdiende ik drie keer zoveel als bij een Hollandse baas. Het geheim van de Chinees is hard werken en initiatief nemen. Zeventig uur per week werken is heel normaal voor een Chinees. Ze zijn brutaal, doortastend en gek op geld verdienen. Moet je je voorstellen dat je als Nederlander zonder enig bezit naar China gaat en daar een restaurant begint.

Vroeger was het streven om hier veel geld te verdienen en dan terug te gaan naar China. Dan had je daar veel aanzien. De Chinees is ijverig, accepteert nooit steun. Sommigen waren te ziek om te werken en namen dan ontslag. Vakantie namen ze nooit. Chinezen zonder geld werden altijd door de anderen opgevangen. Oude mensen die niet meer werkten, kregen een baantje in een gokhuis, eten koken voor de klanten. Tegenwoordig gebeurt dat niet meer, de moderne Chinees is net zo uitgekookt als de Nederlander.

Ik voel me meer Nederlander, maar mijn Hollandse vrienden vinden mij eerder een Chinees. Chinezen tonen weinig emotie. Ze houden niet van het rechtstreekse van de Rotterdammer. De Chinees doet alles via een omweg. Hij zal je nooit recht in je gezicht zeggen dat hij je niet mag. Als een Nederlandse leverancier een keer iets verkeerds doet bij een Chinees restaurant, dat hij de boel belazert bijvoorbeeld, dan komt hij in heel Rotterdam niet meer aan bod. Dat gaat als een lopend vuurtje. Veel Chinezen vinden Nederlanders grof en brutaal. De Chinees vindt dat er maar één volwaardige yang, één volwaardige mens is, en dat is de Chinees. Een Japanner gaat nog net, die noemen ze het kind van een Chinees. De rest zijn spoken, kwai. De Hollander is dus ook een kwai, een spook. Wat dat betreft zijn ze echt arrogant.'

JOHN TSANG (43) is geboren op de Brede Hilledijk en woont nog steeds op Katendrecht. Vanuit zijn nieuwe woning kijkt hij uit op de Erasmusbrug en Hotel New York. Tsang: 'We woonden midden tussen de hoeren en de pooiers. Je had Bertus de Bult, Blonde Lies, Dronken Jopie, Japie van de Wal. De hoeren stonden op straat voor de deur, ik noemde ze allemaal tante. Bij al die tantes kwamen dan mannen op bezoek die je weer oom noemde. Ik had er als kind geen last van, vaak kreeg je een dubbeltje of kwartje van een tevreden klant. De mensen op Katendrecht waren arm, ik sliep met twee broers op een kamer, maar je had ook gezinnen waar ze met z'n zessen een kamer moesten delen.

Mijn opa was China ontvlucht vanwege de communisten en kwam uiteindelijk in Rotterdam terecht, waar hij met een Nederlandse vrouw trouwde. Eigenlijk heten we Chong, maar dat begrepen ze op het gemeentehuis niet. Toen hebben ze het maar tot Tsang verbasterd. De modeontwerpster Fong Leng is weer een zus van mijn vader.

Mijn broertje en ik kwamen vaak in het boardinghouse van Keja. Dat was in feite gewoon een opiumkit, waar de Chinezen aan pijpen lagen te lurken. Net Kuifje en de Blauwe Lotus, maar wisten wij toen veel. Pas later kwamen we erachter dat ze dope rookten. Aan het einde van de jaren zestig was het afgelopen met de opiumschuiverij. De Chinezen op Katendrecht zeiden dat Keja op vakantie was naar China, maar hij zat hier gewoon in de bak.

Op de hoek van de Atjehstraat en de Sumatraweg zat een gokhuis, daar kwamen we iedere dag. In de Atjehstraat woonde Sing, de pindaman. Hij maakte blokken van caramel en noten en verkocht die hier op de markt. Met Chinees nieuwjaar gingen we iedereen in de boardinghuizen gelukwensen, dan kregen we een paar piek en konden we naar boven om te gokken. Ik had een oom in Den Haag, genaamd A Pek. Als ik bij hem logeerde, nam hij me altijd mee naar Chinese karatefilms. Dat was nog ver voor de films van Bruce Lee.

Op school scholden ze mij en mijn broertje uit voor pindapoepchinees. Maar eigenlijk werden Chinezen nauwelijks gediscrimineerd op Katendrecht. Ik heb me nooit geschaamd voor mijn afkomst. Ik zat op de havo in Kralingen, daar keken ze echt op je neer als je van Katendrecht kwam. Kralingen was de kakbuurt. Nog steeds reageren mensen vreemd als je zegt dat je op Katendrecht woont. Wat, zeggen ze dan, op Katendrecht, met al die teringhoeren? Ze denken dat het nog steeds zoals vroeger is.'

JOHN TSANG wordt bijna weemoedig als hij uit het raam kijkt. 'Je vindt hier niets meer terug van het oude Katendrecht. De toko's zijn verdwenen, er is nog maar een Chinees restaurant. De meeste Chinezen zijn naar het centrum getrokken. De Chinezen die hier nog wonen werken de hele dag, je ziet ze amper op straat. Bij mij op het plein zie ik nog wel eens Chinese kinderen basketballen. De nieuwe generatie Chinezen heeft andere gewoonten, ze gaan niet meer naar een Chinees gokhuis maar naar het Holland Casino. Er zijn sowieso geen winkels meer op Katendrecht. Vroeger had je vier bakkers, vier slagers, zeven kruideniers. De laatste slijterij is ook verdwenen. Tegenwoordig moet je naar de C1000 tegenover metrostation Rijnhaven. De peeskamertjes zijn ook verdwenen, maar er werken nog steeds hoeren op Katendrecht. Als je 's avonds een biertje gaat drinken op het Deliplein, word je heus wel aangeklatst door een hoer. Sommigen zitten al veertig jaar in het vak. Pruiken Linda bijvoorbeeld, die lijkt sprekend op Tina Turner. Als je die ziet denk je, ik word maar homo. Bovendien rolt ze de klanten ook nog. Dat die nog klanten heeft, niet te geloven.'

Ben Lock: 'De gemeenschapszin is weg op Katendrecht. Vroeger zat iedereen buiten op straat te ouwehoeren, dat zie je niet meer. Er is geen sfeer meer op Katendrecht. Mijn schoonmoeder woont er, dus ik kom er nog regelmatig. De gokhuizen, de restaurants en de opiumkitten zijn verdwenen. Waarschijnlijk gebruiken ze nu heroïne, snuiven ze of zo. De gokhuizen zijn weggegaan omdat er een vrouw op Katendrecht actie begon te voeren. Vervolgens zijn ze allemaal dichtgetimmerd. Ze vond dat die gokhuizen een slechte invloed hadden op de jeugd. Wij hadden er vroeger echter nooit last van, dat vond je heel normaal.'

Jo Kraaijeveld: 'Mijn man had wel eens driftbuien als er iets mis was in de zaak. Hij ging dan tegen de grond of zat raar te kijken en dan gaf ik hem een glas water. Verder zei ik niets, ik bleef stil zitten. Op een gegeven moment zei hij tegen mij, jij wordt honderd jaar. Waarom honderd jaar, zei ik. Omdat je nooit kwaad wordt. Hij is overleden aan zijn galblaas, twaalf jaar geleden. Sinds hij zijn restaurants had moeten sluiten, omdat hij schulden had bij de slager, de kippenboer en de belasting, ging het bergafwaarts met hem. Zijn naam stond in neonletters op de gevel van onze laatste zaak, hier op Katendrecht. Op de dag dat hij dood ging, viel de verlichting van zijn naam uit. Het personeel zei al dat hij dood was nog vóór ze het van mij hadden gehoord.'

Please be aware that the free essay that you were just reading was not written by us. This essay, and all of the others available to view on the website, were provided to us by students in exchange for services that we offer. This relationship helps our students to get an even better deal while also contributing to the biggest free essay resource in the UK!